Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Regular

Conjugación de Openen

openen = abrir

Infinitivo
openen
Pasado
opende · openden
Perfecto
heeft geopend

Respuesta rápida

Openen significa abrir. Pasado: opende (singular) y openden (plural). Participio: geopend, con hebben: ik heb geopend.

Practica openen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikopen
jijopent
hij/zij/hetopent
wijopenen
jullieopenen
zijopenen

Pasado (verleden tijd)

ikopende
jijopende
hij/zij/hetopende
wijopenden
jullieopenden
zijopenden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geopend
jijhebt geopend
hij/zij/hetheeft geopend
wijhebben geopend
julliehebben geopend
zijhebben geopend

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geopend
jijhad geopend
hij/zij/hethad geopend
wijhadden geopend
julliehadden geopend
zijhadden geopend

Futuro (toekomende tijd)

ikzal openen
jijzult openen
hij/zij/hetzal openen
wijzullen openen
julliezullen openen
zijzullen openen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou openen
jijzou openen
hij/zij/hetzou openen
wijzouden openen
julliezouden openen
zijzouden openen

Practica openen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es open. En el infinitivo openen hay una n antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (opende, openden) y el participio termina en -d (geopend).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij opent, pero open jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de openen?

opende (ik, jij, hij/zij/het) y openden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de openen?

geopend, con hebben: ik heb geopend.

¿El verbo openen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geopend, hij heeft geopend.

Más verbos

Todos los verbosComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.