Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Irregular

Heten conjugation

heten = to be called

Infinitive
heten
Past
heette · heetten
Perfect
heeft geheten

Quick answer

Heten means to be called. Past tense: heette (singular) and heetten (plural). Past participle: geheten, with hebben: ik heb geheten.

Practise heten

Present (tegenwoordige tijd)

ikheet
jijheet
hij/zij/hetheet
wijheten
jullieheten
zijheten

Past (verleden tijd)

ikheette
jijheette
hij/zij/hetheette
wijheetten
jullieheetten
zijheetten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geheten
jijhebt geheten
hij/zij/hetheeft geheten
wijhebben geheten
julliehebben geheten
zijhebben geheten

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geheten
jijhad geheten
hij/zij/hethad geheten
wijhadden geheten
julliehadden geheten
zijhadden geheten

Future (toekomende tijd)

ikzal heten
jijzult heten
hij/zij/hetzal heten
wijzullen heten
julliezullen heten
zijzullen heten

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou heten
jijzou heten
hij/zij/hetzou heten
wijzouden heten
julliezouden heten
zijzouden heten

Practise heten

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: heten, heette, geheten.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of heten?

heette (ik, jij, hij/zij/het) and heetten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of heten?

geheten, with hebben: ik heb geheten.

Is heten used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geheten, hij heeft geheten.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.