Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Irregular

Conjugación de Vinden

vinden = encontrar

Infinitivo
vinden
Pasado
vond · vonden
Perfecto
heeft gevonden

Respuesta rápida

Vinden significa encontrar. Pasado: vond (singular) y vonden (plural). Participio: gevonden, con hebben: ik heb gevonden.

Practica vinden

Presente (tegenwoordige tijd)

ikvind
jijvindt
hij/zij/hetvindt
wijvinden
jullievinden
zijvinden

Pasado (verleden tijd)

ikvond
jijvond
hij/zij/hetvond
wijvonden
jullievonden
zijvonden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gevonden
jijhebt gevonden
hij/zij/hetheeft gevonden
wijhebben gevonden
julliehebben gevonden
zijhebben gevonden

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gevonden
jijhad gevonden
hij/zij/hethad gevonden
wijhadden gevonden
julliehadden gevonden
zijhadden gevonden

Futuro (toekomende tijd)

ikzal vinden
jijzult vinden
hij/zij/hetzal vinden
wijzullen vinden
julliezullen vinden
zijzullen vinden

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou vinden
jijzou vinden
hij/zij/hetzou vinden
wijzouden vinden
julliezouden vinden
zijzouden vinden

Practica vinden

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: vinden, vond, gevonden.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij vindt, pero vind jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de vinden?

vond (ik, jij, hij/zij/het) y vonden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de vinden?

gevonden, con hebben: ik heb gevonden.

¿El verbo vinden va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gevonden, hij heeft gevonden.

Más verbos

Todos los verbosComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.