Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Irregular

Helpen conjugation

helpen = to help

Infinitive
helpen
Past
hielp · hielpen
Perfect
heeft geholpen

Quick answer

Helpen means to help. Past tense: hielp (singular) and hielpen (plural). Past participle: geholpen, with hebben: ik heb geholpen.

Practise helpen

Present (tegenwoordige tijd)

ikhelp
jijhelpt
hij/zij/hethelpt
wijhelpen
julliehelpen
zijhelpen

Past (verleden tijd)

ikhielp
jijhielp
hij/zij/hethielp
wijhielpen
julliehielpen
zijhielpen

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geholpen
jijhebt geholpen
hij/zij/hetheeft geholpen
wijhebben geholpen
julliehebben geholpen
zijhebben geholpen

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geholpen
jijhad geholpen
hij/zij/hethad geholpen
wijhadden geholpen
julliehadden geholpen
zijhadden geholpen

Future (toekomende tijd)

ikzal helpen
jijzult helpen
hij/zij/hetzal helpen
wijzullen helpen
julliezullen helpen
zijzullen helpen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou helpen
jijzou helpen
hij/zij/hetzou helpen
wijzouden helpen
julliezouden helpen
zijzouden helpen

Practise helpen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: helpen, hielp, geholpen.
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij helpt, but help jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of helpen?

hielp (ik, jij, hij/zij/het) and hielpen (wij, jullie, zij).

What is the past participle of helpen?

geholpen, with hebben: ik heb geholpen.

Is helpen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geholpen, hij heeft geholpen.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.