Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Irregular

Conjugación de Vragen

vragen = preguntar

Infinitivo
vragen
Pasado
vroeg · vroegen
Perfecto
heeft gevraagd

Respuesta rápida

Vragen significa preguntar. Pasado: vroeg (singular) y vroegen (plural). Participio: gevraagd, con hebben: ik heb gevraagd.

Practica vragen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikvraag
jijvraagt
hij/zij/hetvraagt
wijvragen
jullievragen
zijvragen

Pasado (verleden tijd)

ikvroeg
jijvroeg
hij/zij/hetvroeg
wijvroegen
jullievroegen
zijvroegen

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gevraagd
jijhebt gevraagd
hij/zij/hetheeft gevraagd
wijhebben gevraagd
julliehebben gevraagd
zijhebben gevraagd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gevraagd
jijhad gevraagd
hij/zij/hethad gevraagd
wijhadden gevraagd
julliehadden gevraagd
zijhadden gevraagd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal vragen
jijzult vragen
hij/zij/hetzal vragen
wijzullen vragen
julliezullen vragen
zijzullen vragen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou vragen
jijzou vragen
hij/zij/hetzou vragen
wijzouden vragen
julliezouden vragen
zijzouden vragen

Practica vragen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: vragen, vroeg, gevraagd.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij vraagt, pero vraag jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de vragen?

vroeg (ik, jij, hij/zij/het) y vroegen (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de vragen?

gevraagd, con hebben: ik heb gevraagd.

¿El verbo vragen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gevraagd, hij heeft gevraagd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.