Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Vijf mensen aan tafel

Ik ben Rick.

Ik ben leraar in Den Haag.

Vandaag ben ik op school.

Het regent.

Ik kijk door het raam.

De straat is nat.

Mijn koffie is warm.

Ik ruik de koffie.

Ik neem een kleine slok.

Ik lees het nieuws.

Ik lees over CDA en D66.

Ze zijn niet blij.

Ik lees ook over JA21.

Ik zie BBB en SGP.

Samen praten is niet makkelijk.

Ik denk aan onze school.

Daar eten vandaag vijf mensen samen.

Jan en Lien komen binnen.

Jan heeft brood.

Lien heeft een pan soep.

De soep is rood.

De pan is warm.

Ik ruik tomaat.

Dat ruikt goed.

Jan zet het brood op tafel.

Lien zet de pan naast het brood.

Bram komt ook binnen.

Mieke loopt naast hem.

Kees komt als laatste.

Ze kijken naar het eten.

Bram kijkt naar de soep.

Mieke kijkt naar het brood.

Kees kijkt naar de lege borden.

Bram zegt: 'Ik wil geen rode soep.

Ik wil groene soep.' Mieke zegt: 'Ik wil geen brood.

Ik wil een ei.' Kees zegt: 'Ik wil een groot bord.

Dit bord is klein.' Jan kijkt naar Lien.

Lien kijkt naar Jan.

Ze zijn niet blij.

De soep is warm.

Het brood ligt klaar.

Maar niemand eet.

Ik ga bij de tafel staan.

Ik kijk naar de vijf mensen.

Dan kijk ik naar mijn koffie.

Mijn koffie is nu koud.

Ik drink toch een slok.

Mijn neus gaat een beetje omhoog.

Jan lacht.

Lien zegt: 'We hebben rode soep.

We hebben ook brood.

Er zijn geen eieren.' Bram kijkt naar de rode soep.

Hij pakt een lepel.

Hij eet een klein beetje.

Dan eet hij nog een beetje.

'Lekker,' zegt hij.

Mieke kijkt naar het brood.

Er ligt kaas naast.

Ze neemt een klein stuk kaas.

Dan neemt ze wat brood.

'Ook lekker,' zegt ze.

Kees kijkt nog naar zijn bord.

Hij houdt het naast zijn hoofd.

Zijn hoofd is groot.

Het bord is klein.

Jan lacht weer.

Nu lacht Kees ook.

Ik pak een ander bord.

Het is heel groot.

Ik zet het voor Kees.

Er ligt één klein stuk brood op.

Kees kijkt naar het brood.

Dan kijkt hij naar mij.

'Nu is mijn brood heel klein.' We lachen allemaal.

Kees neemt het kleine bord.

Het grote bord gaat naar Jan.

Jan legt er meer brood op.

Nu kan iedereen erbij.

Lien doet soep in vijf kommen.

De kommen zijn rood.

De soep is ook rood.

Bram kijkt in zijn kom.

'Alles is rood,' zegt hij.

'Je neus ook,' zegt Mieke.

Bram raakt zijn neus aan.

Er zit een beetje soep op.

Hij lacht.

Ik geef hem een doek.

Zijn neus is weer schoon.

Nu eten de vijf mensen.

Jan eet brood met kaas.

Lien eet warme soep.

Bram eet zijn kom leeg.

Mieke neemt nog wat brood.

Kees heeft genoeg op zijn bord.

Ik zit ook aan tafel.

Ik krijg een kom soep.

De soep is lekker warm.

Buiten valt nog steeds regen.

Binnen ruikt het naar tomaat.

Ik hoor vijf mensen lachen.

Ik ben blij.

Tot de volgende keer.

0:00
Settings

Text

Mode

Audio

Pause