Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De wandelaar: een man alleen in Parijs

Stel je voor: je woont tijdelijk in een grote stad, ver van huis.

Je kent er bijna niemand.

Je dagen zijn leeg.

Wat doe je dan?

De Nederlandse schrijver Adriaan van Dis koos ervoor om te gaan wandelen.

Elke dag liep hij uren door Parijs.

En tijdens die wandelingen zag hij dingen die hij liever niet wilde zien.

Over dat zien gaat het boek De wandelaar, dat hij in tweeduizendzeven publiceerde.

Het is een roman, maar het voelt alsof je naast hem loopt.

Vandaag neem ik je mee naar Parijs.

Ik vertel je het hele verhaal in ongeveer twintig minuten.

Ga je mee?

De hoofdpersoon is een Nederlandse schrijver.

Hij huurt een appartement in Parijs, in een gewone buurt met smalle straten en kleine winkels.

Hij komt daar om te werken.

Maar elke ochtend zit hij achter zijn bureau en de woorden komen niet.

Hij staart naar het lege papier en na een uur staat hij weer op.

Zijn dochter woont ver weg en hij mist haar stem.

Zijn vrienden zijn ook ver.

Hij kent de taal redelijk, maar niet perfect.

Bij de bakker bestelt hij brood en de bakker antwoordt iets wat hij niet helemaal verstaat.

Hij lacht en knikt, maar hij voelt zich dom.

Daardoor blijft hij een buitenstaander.

Hij groet de buurvrouw op de trap en de man in het café achter de bar.

Ze zijn vriendelijk, maar ze stellen geen vragen.

Ze zeggen bonjour en dat is alles.

De schrijver voelt zich alleen.

Om de leegte te vullen, gaat hij wandelen.

Elke ochtend trekt hij zijn jas aan en doet de deur achter zich dicht.

Hij loopt langs de Seine, waar het water langzaam stroomt.

Hij loopt door parken waar mensen op bankjes zitten.

Hij loopt over markten waar ze fruit en vis verkopen.

Soms praat hij met iemand over het weer.

Vaak zegt hij niets en luistert hij alleen.

Het wandelen wordt zijn manier om de stad te leren kennen.

Hij leert welke straten naar het water lopen en waar de bakkerij zit.

Maar het wandelen is ook een manier om zijn eigen gedachten te ontwijken.

Als hij loopt, hoeft hij niet te denken aan zijn dochter of aan zijn lege pagina's.

Hij loopt tot zijn voeten pijn doen en dan loopt hij nog even door.

Op een dag loopt hij over een brug.

Hij kijkt naar beneden en ziet een groep mensen onder de brug zitten.

Ze hebben dekens over hun schouders en dozen naast zich.

Er staan plastic zakken met kleren en flessen.

Het zijn bedelaars, vluchtelingen, mensen zonder huis.

De schrijver blijft staan en kijkt naar hen.

Zij kijken terug.

Een van hen, een man met een donkere baard, wenkt hem met zijn hand.

De schrijver aarzelt.

Hij kijkt naar de trap en dan weer naar de man.

Dan loopt hij toch naar beneden.

De man heet Karim.

Hij komt uit een land in Noord-Afrika, maar hij wil niet zeggen welk land.

Hij spreekt een beetje Frans en een beetje Engels, en hij mengt de twee talen door elkaar.

De schrijver voelt zich ongemakkelijk.

Wat moet hij zeggen tegen deze man?

Hij haalt zijn portemonnee tevoorschijn en geeft wat geld.

Maar Karim schudt zijn hoofd.

Hij wil geen geld, hij wil praten.

Dus blijven ze staan, daar onder die brug, en ze praten.

Over het weer, dat koud is geworden.

Over de stad, die zo groot is.

Over niets bijzonders eigenlijk.

Karim vraagt waar hij vandaan komt en de schrijver zegt uit Nederland.

Karim knikt langzaam.

Na een tijdje zegt de schrijver dat hij verder moet.

Hij loopt de trap weer op en steekt de brug over.

Maar als hij wegloopt, voelt hij zich vreemd.

Hij is geraakt, maar hij weet niet goed waarom.

Hij kijkt nog één keer om en ziet Karim zitten tussen de dekens.

Dan loopt hij door naar huis.

De volgende ochtend loopt de schrijver weer over de brug.

Hij kijkt naar beneden en ziet Karim zitten op dezelfde plek.

Naast Karim zit een jonge vrouw.

Ze heeft een dikke buik en donkere kringen onder haar ogen.

Ze houdt een deken strak om zich heen.

De schrijver loopt langzaam naar beneden.

Hij blijft op een paar meter afstand staan.

Hij vraagt of ze hulp nodig heeft.

De vrouw zegt niets.

Ze kijkt alleen naar de grond.

Karim legt zijn hand op haar schouder.

Hij zegt dat ze Amal heet.

Hij zegt dat ze een dokter nodig heeft.

De schrijver aarzelt.

Hij kent geen dokters in deze buurt.

Hij weet niet waar hij moet beginnen.

Maar hij kijkt naar Amal en hij belooft dat hij zal helpen.

De schrijver gaat meteen naar huis.

Hij opent zijn laptop en zoekt naar gratis klinieken in de stad.

Hij schrijft adressen op een briefje.

Hij zoekt ook naar openingstijden en naar wat ze nodig heeft.

De volgende ochtend gaat hij terug naar de brug.

Amal zit er weer.

Ze staat langzaam op als ze hem ziet.

Samen lopen ze naar de kliniek.

Het is een eind wandelen en Amal zegt weinig.

Bij de kliniek wacht ze in een rij met andere mensen.

Na een uur mag ze naar binnen.

De dokter onderzoekt haar en zegt dat het goed gaat met de baby.

Amal komt naar buiten en glimlacht voor het eerst.

De schrijver voelt zich even nuttig.

Maar als ze teruglopen, beseft hij dat hij bijna niets weet van haar leven.

De weken daarna komt de schrijver steeds vaker bij de brug.

Hij leert de namen van de mensen kennen.

Er is Karim, en Amal, en een oude man met een hoed.

Er is ook een jongen die altijd grapjes maakt.

De schrijver brengt koffie in plastic bekertjes.

Hij brengt dekens als het koud is.

Hij brengt brood en fruit.

Hij gaat zitten en hij luistert.

Karim vertelt over zijn reis.

Hij vertelt over de woestijn en over de zee.

Hij vertelt over de gevangenis waar hij heeft gezeten.

Hij vertelt over zijn vrouw en zijn kinderen.

Die heeft hij moeten achterlaten.

De schrijver luistert en schrijft alles op in zijn notitieboekje.

Hij denkt: dit is belangrijk.

Maar hij voelt ook schaamte.

Want hij kan terug naar zijn appartement.

Naar zijn warme bed.

Naar zijn veilige leven.

Zij niet.

Op een avond nodigt de schrijver Karim uit in zijn appartement.

Karim loopt langzaam door de kamers.

Hij kijkt naar de boeken in de kast.

Hij kijkt naar de schilderijen aan de muur.

Hij kijkt naar de fles wijn op tafel.

Hij raakt de dingen bijna niet aan.

Hij blijft staan bij het raam en kijkt naar buiten.

Dan zegt hij: jij woont in een paleis.

De schrijver weet niet wat hij moet antwoorden.

Hij schenkt wat wijn in en zet het glas voor Karim neer.

Karim kijkt ernaar maar pakt het niet meteen.

Even is het stil in de kamer.

De schrijver voelt zich ongemakkelijk.

Hij beseft dat zijn appartement voor Karim een andere wereld is.

Hij weet niet wat hij moet zeggen.

Dus zegt hij niets.

Op een ochtend loopt de schrijver weer over de brug.

Hij ziet meteen dat er iets mis is.

Twee politieauto's staan aan de kant.

Agenten lopen naar de groep onder de brug.

Een van hen zegt dat de mensen moeten vertrekken.

Het is hier niet veilig, zegt hij.

En het mag ook niet, zegt een andere agent.

De mensen beginnen hun spullen te pakken.

Dekens gaan in zakken.

Dozen worden dichtgeklapt.

Amal zit op de grond en huilt.

Karim stapt naar voren en praat met de agenten.

Hij houdt zijn handen omhoog en spreekt rustig.

Maar de agenten schudden hun hoofd.

Het besluit staat vast.

De schrijver staat naast hen en kijkt toe.

Hij wil iets doen, maar hij weet niet wat.

De schrijver biedt aan om de groep naar een andere plek te brengen.

Hij zegt dat hij een auto kan regelen.

Maar Karim schudt zijn hoofd.

Hij kijkt de schrijver aan en zegt: jij begrijpt het niet.

Jij hebt een huis, wij niet.

De schrijver zegt niets terug.

Hij voelt zich afgewezen.

De groep loopt weg, met zakken en dekens in hun handen.

De schrijver gaat naar huis.

Die nacht slaapt hij slecht.

De volgende dag gaat hij terug naar de brug.

De groep is weg.

Alleen wat rommel ligt er nog.

Hij zoekt in de buurt en vraagt aan mensen of ze Karim hebben gezien.

Niemand weet iets.

Hij voelt zich leeg en schuldig.

Hij had meer moeten doen, denkt hij.

Maar wat?

Een paar dagen later loopt de schrijver over een markt.

Tussen de kraampjes ziet hij ineens Amal.

Ze is alleen.

Ze ziet er nog moe uit.

Maar als ze hem ziet, glimlacht ze.

Hij loopt naar haar toe en vraagt hoe het gaat.

Ze vertelt dat Karim is opgepakt.

Hij zit in de gevangenis, zegt ze.

Hij heeft geen papieren.

Amal weet niet wat ze moet doen.

Ze heeft geen geld en geen onderdak.

De schrijver neemt haar mee naar een café.

Hij koopt wat te eten voor haar.

Ze gaat zitten en begint te vertellen.

Ze komt uit een ander land dan Karim, maar ze zijn samen gereisd.

Ze is zwanger, maar de vader van het kind is niet Karim.

Ze weet niet waar hij is.

De schrijver luistert naar alles wat Amal zegt.

Hij onderbreekt haar niet.

Hij voelt medelijden, maar ook onmacht.

Hij kan haar niet redden.

Hij kan alleen maar luisteren.

En dat doet hij.

Als ze klaar is, kijkt ze hem aan.

Ze zegt: dank je.

Niemand heeft ooit zo naar me geluisterd.

De schrijver voelt tranen in zijn ogen.

Hij zegt niets terug.

Ze blijven nog even zitten in het café.

Dan staat Amal op en pakt haar spullen.

De schrijver betaalt en loopt met haar naar buiten.

Hij weet niet of hij haar nog zal zien.

Maar hij weet wel dat hij dit gesprek nooit zal vergeten.

De schrijver zit in een klein kantoor met grijze muren.

Tegenover hem zit een advocaat met een bril en een stapel papieren.

De schrijver vertelt over Karim.

Hij zegt dat Karim geen papieren heeft en dat hij in de gevangenis zit.

De advocaat luistert en knikt langzaam.

Hij zegt dat hij niets kan beloven.

De schrijver vraagt wat er kan gebeuren.

De advocaat zegt dat Karim kan worden uitgezet.

De schrijver schrijft de naam van een vluchtelingenorganisatie op een briefje.

Hij bedankt de advocaat en loopt naar buiten.

Op straat voelt hij de kou en hij trekt zijn jas dichter om zich heen.

Hij gaat meteen naar de organisatie en belt aan.

Binnen zit een vrouw achter een computer.

Ze geeft hem formulieren en zegt dat hij ze moet invullen.

De schrijver gaat zitten en begint te schrijven.

Hij schrijft urenlang.

Hij vult zijn naam in, de naam van Karim, de data, de feiten.

Zijn hand wordt moe, maar hij stopt niet.

Hij belt daarna met instanties.

Elke keer krijgt hij een ander nummer en een andere stem.

Niemand kan hem meteen helpen.

Het systeem is traag en ingewikkeld, en de schrijver voelt zich steeds kleiner.

Na een paar dagen begrijpt de schrijver dat er veel mensen zijn zoals Karim.

Hij ziet ze in de wachtkamer van de organisatie.

Ze zitten op stoelen met hun jas aan en ze kijken naar de grond.

Er is weinig hulp, en de hulp die er is, gaat langzaam.

De schrijver voelt zich boos en verdrietig.

Hij denkt aan zijn eigen eenzaamheid in Parijs.

Die voelt nu klein en licht vergeleken met hun problemen.

Maar hij voelt zich ook schuldig over dat besef.

Hij heeft een appartement, een bed, een warme maaltijd.

Zij niet.

Op een dag krijgt hij toestemming om Karim te bezoeken in de gevangenis.

Hij gaat door een poort en door een lange gang.

In een kleine kamer met een tafel zit Karim.

Karim ziet er moe uit, met donkere kringen onder zijn ogen.

Maar hij glimlacht als hij de schrijver ziet.

Ze gaan zitten en praten over kleine dingen.

Over het weer, over de gevangenis, over de toekomst.

Karim zegt dat hij hoopt op een nieuw leven.

De schrijver luistert en knikt.

Dan zegt Karim: jij bent een goede man.

De schrijver schudt zijn hoofd.

Hij weet dat hij niet genoeg heeft gedaan.

Maar Karim zegt: je hebt geluisterd.

Dat is genoeg.

Als de schrijver weggaat, voelt hij zich lichter en zwaarder tegelijk.

Hij loopt terug door de lange gang en naar buiten.

De tijd in Parijs loopt ten einde.

De schrijver moet terug naar Nederland.

Hij pakt zijn koffer en kijkt nog een keer door het raam van zijn appartement.

Dan gaat hij naar het opvanghuis waar Amal nu woont.

Amal zit in een kleine kamer met een bed en een stoel.

Ze is nog steeds zwanger, maar ze ziet er iets hoopvoller uit.

Ze glimlacht als hij binnenkomt.

Ze praten over kleine dingen.

Over het weer, over het eten, over haar plannen.

De schrijver zegt dat hij terug moet naar Nederland.

Amal knikt en pakt iets uit haar zak.

Het is een klein beeldje.

Ze geeft het aan hem en zegt dat het een aandenken is.

De schrijver kijkt naar het beeldje en stopt het voorzichtig in zijn jas.

Hij belooft dat hij haar zal schrijven.

Amal zegt dank je.

Ze omhelzen elkaar kort.

Dan loopt de schrijver naar de deur.

Hij kijkt nog een keer om.

Amal zwaait.

Hij zwaait terug en gaat naar buiten.

Van Karim hoort hij niets meer.

Hij vraagt nog bij de organisatie, maar niemand weet waar Karim is.

De schrijver voelt een leegte in zijn maag.

Op zijn laatste dag wandelt hij door de stad.

Hij loopt langs de Seine en ziet het water glinsteren in de zon.

Hij loopt over de brug waar hij Karim voor het eerst zag.

Er zit nu niemand.

Geen dekens, geen dozen, geen plastic zakken.

Hij blijft even staan en kijkt naar het water.

Dan loopt hij door naar het station.

In de trein naar Nederland kijkt hij uit het raam.

De stad verdwijnt langzaam en de velden komen tevoorschijn.

Hij denkt aan de mensen die hij heeft ontmoet.

Aan Karim, aan Amal, aan de oude man met de hoed.

Hij voelt zich nog steeds eenzaam, maar op een andere manier.

Hij weet nu dat hij niet de enige is die alleen is.

En dat hij, door te luisteren, iets heeft kunnen betekenen.

De trein rijdt verder en de lucht wordt grijzer.

Hij komt aan in Nederland.

Hij is veranderd, maar de wereld om hem heen is hetzelfde gebleven.

Wat zegt dit boek over het leven?

Het laat zien dat eenzaamheid vele gezichten heeft.

De schrijver is eenzaam, maar de mensen onder de brug zijn dat ook, op een veel hardere manier.

Het boek zegt: kijk niet weg.

Als je iemand ziet die hulp nodig heeft, kun je misschien niet alles oplossen, maar je kunt wel luisteren.

En dat luisteren kan iemands dag veranderen.

Daarnaast laat het zien dat je als buitenstaander nooit helemaal begrijpt hoe het leven van een ander is.

De schrijver leert dat hij niet moet denken dat hij het weet, maar dat hij moet vragen en luisteren.

Dat is een belangrijke les, ook voor jou en mij.

De wandelaar is een boek dat je bijblijft.

Het is geen vrolijk verhaal, maar het is wel een warm verhaal.

Adriaan van Dis schrijft met humor en scherpte, maar ook met veel mededogen.

Je leert Parijs kennen, maar ook de mensen die je normaal niet ziet.

En je leert iets over jezelf: over hoe je kijkt naar anderen, en hoe je luistert.

Ik hoop dat je net zoveel aan dit verhaal hebt als ik.

Als je de tekst wilt meelezen en woorden wilt opzoeken, ga dan naar dutchfluency.com slash transcripts.

Daar kun je op elk woord tikken en de vertaling zien.

0:00
Settings

Text

Mode

Audio

Pause