

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is maandagochtend. Ik fiets naar mijn werk.
De lucht is blauw, de zon schijnt, het voelt warm, dat is raar voor september.
Normaal is het dan koel, maar vandaag is het 25 graden.
Ik heb een dun shirt aan.
Dat is lekker. Ik voel de warme lucht op mijn armen. Ik hoor vogels fluiten. De bomen zijn nog groen.
Ik ruik vers brood uit de bakkerij. Het is een mooie ochtend.
Op mijn werk zie ik mijn collega Fatima, ze zit op een bankje buiten, ze drinkt koffie.
Kom erbij zitten, zegt ze.
Het is veel te mooi weer om binnen te zijn, ik lach.
Je hebt gelijk, zeg ik.
Maar we moeten werken, Fatima haalt haar schouders op.
Werk kan wachten, de zon niet.
We praten over het weer.
Fatima zegt: 'Mijn moeder belde. Ze woont in Marokko.'
Daar is het nu 35 graden. Ze vindt het hier koud. Ik moet lachen.
Hier is het vandaag ook warm, zeg ik.
Maar niet zo warm als daar, Fatima lacht.
Nee, maar het is lekker, ik hou van de zon, de hele week blijft het warm.
Dinsdag ga ik naar het strand, ik woon in Den Haag, het strand is niet ver, ik ga met de fiets.
De zee is rustig, het water is niet koud, ik zwem even.
Daarna lig ik op het zand. De zon voelt warm op mijn huid. Ik hoor meeuwen. Ze roepen hard. Ik ruik zout water.
Het is heerlijk, ik denk aan mijn vakantie in Frankrijk, daar was het ook warm.
Ik voelde me vrij, nu voel ik me ook vrij.
Woensdag belt mijn vriendin Lisa.
Zullen we vanavond buiten eten, vraagt ze.
Het is zo warm. Ik zeg ja. We gaan naar een restaurant in de stad. We zitten op het terras. Ik eet pasta. Lisa eet een salade. We drinken water met ijs.
Het is gezellig. 'Dit voelt als vakantie,' zegt Lisa. 'Maar het is gewoon woensdag.' Ik knik.
Ja, dat is raar, maar wel fijn.
Even tussendoor, bedankt voor het luisteren, reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram, dan stuur ik je een speciale kortingskode voor de interactieve versie van deze aflevering.
Veel plezier verder met het verhaal.
Donderdag heb ik een vrije dag. Ik ga naar het park. Ik neem een boek mee. Ik zit op een bankje. Ik lees en ik kijk naar de mensen. Kinderen spelen.
Een man speelt gitaar. Hij zingt liedjes. Mensen geven geld. Ik geef ook wat. De muziek is mooi. Ik voel me blij. De lucht ruikt naar gras. Ik hoor de bladeren ritselen. Het is een fijne dag. Vrijdag is het nog steeds warm. Op mijn werk is het druk. Iedereen is een beetje lui. De airco is kapot.
We hebben het warm, mijn baas zegt, ga maar eerder naar huis, het is te warm om te werken, dat is fijn, ik ga naar huis, ik doe alle ramen open.
Er komt een klein windje naar binnen. Dat helpt een beetje. Ik drink een glas koud water. Dat voelt goed. Zaterdag ga ik naar het strand met Lisa.
We nemen een picknick mee. Brood, kaas, fruit en koud water. We zoeken een plekje bij de zee. Het strand is vol. Overal liggen mensen. Kinderen bouwen zandkastelen. Een hond rent rond. We zwemmen. Het water is nog warm. Daarna eten we. De zon gaat langzaam onder. De lucht wordt oranje en roze. 'Dit is zo mooi,' zegt Lisa.
'Ja,' zeg ik. 'Dit is een mooie dag.' We blijven zitten tot het donker wordt. De sterren komen tevoorschijn. Het is stil. Alleen de zee horen we. Zondag is de laatste warme dag. Ik zit op mijn balkon. Ik drink thee. Ik kijk naar de straat. Mensen lopen in korte broeken. Iemand eet een ijsje. Een kind lacht. Ik denk aan de week. Het was een rare week. September is normaal koel. Maar deze week was warm. Ik heb genoten.
Morgen wordt het kouder. Dat weet ik. Maar dat is oké. De warme dagen waren een mooi extraatje. Soms krijg je zomaar een paar warme dagen. Dat is fijn. Ik ga naar binnen. Ik pak mijn boek. Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze