Dutch Fluency
Find my level
Login
Play me!

Een Dag op de Markt

Anna is een vrouw.

Zij woont in Amsterdam.

Zij heeft een zoon.

De zoon heet Tim.

Tim is twaalf jaar oud.

Het is maandag.

De zon schijnt.

Het is een mooie dag.

Anna zegt: "Tim, wij gaan naar de markt." Tim is blij.

Hij houdt van de markt.

Anna en Tim lopen naar de markt.

De markt is groot.

Er zijn veel mensen.

Er zijn veel kleuren.

Anna ziet rode tomaten.

Zij ziet gele citroenen.

Zij ziet groene appels.

De appels ruiken lekker.

Tim ziet een man.

De man heeft een grote hoed.

De hoed is oranje.

Tim lacht.

"Mama, kijk!" zegt Tim.

"Die hoed is grappig!" Anna lacht ook.

De hoed is heel grappig.

Anna koopt tomaten.

Zij koopt ook appels.

De appels zijn vers.

De man zegt: "Dat is vijf euro." Anna geeft vijf euro.

De man is vriendelijk.

Tim is hongerig.

Hij ziet een kraam.

De kraam heeft broodjes.

De broodjes ruiken lekker.

Tim zegt: "Mama, ik wil een broodje." Anna zegt: "Goed idee!" Zij kopen twee broodjes.

De broodjes zijn warm.

Tim eet zijn broodje snel op.

Hij is blij.

Anna drinkt koffie.

De koffie is heet.

Zij zit op een stoel.

Tim staat naast haar.

Hij kijkt naar de mensen.

Er zijn veel mensen op de markt.

Een vrouw heeft een hond.

De hond is klein en wit.

Tim zegt: "Mama, kijk, een hond!" Anna kijkt.

"Ja," zegt zij, "de hond is schattig." Tim denkt: dit is een fijne dag.

Hij houdt van de markt.

Hij houdt van de broodjes.

Hij houdt van de mensen.

Na de koffie staan Anna en Tim op.

Zij lopen door de markt.

Anna ziet bloemen.

De bloemen zijn roze.

Zij koopt vijf roze bloemen.

"Voor thuis," zegt zij.

Tim ruikt aan de bloemen.

"Lekker," zegt hij.

Zij kopen ook kaas.

De kaas is geel.

De man bij de kaas is groot.

Hij heeft een witte schort.

Hij geeft Tim een stukje kaas.

Tim eet het stukje.

"Mmm," zegt Tim.

"Lekker!" De man lacht.

Anna heeft nu veel boodschappen.

Zij heeft tomaten, appels, bloemen en kaas.

De tas is zwaar.

Tim helpt.

Hij draagt de tas.

"Dank je, Tim," zegt Anna.

Tim is trots.

Zij lopen naar huis.

De zon schijnt nog steeds.

Het is warm.

Anna is blij.

Tim is blij.

Het is een goede dag.

Thuis zet Anna de bloemen in water.

De bloemen zijn mooi.

Tim zit op de bank.

Hij is moe.

Maar hij is heel blij.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

Word lid
0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze