

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Het is maandag.
De lucht is wit.
Het regent een beetje.
Mila zit aan tafel.
Bram zit ook aan tafel.
Noor is er ook.
Noor is de moeder.
Zij eet brood met kaas.
Bram drinkt water.
Mila drinkt thee.
De hond Bas kijkt naar brood.
Bas doet waf.
Mila lacht.
Bram lacht ook.
Bas eet geen brood.
Bas krijgt eten in een bak.
Vandaag werkt Bram op het land.
Hij heeft een werkauto.
De werkauto is groot en geel.
Mila ziet de werkauto.
Zij zegt: Ik ga mee.
Bram zegt: Ja, jij gaat mee.
Noor zegt: Neem je jas.
De jas is blauw.
De jas ruikt naar regen.
Naast het huis is een kleine straat.
Daar zijn fietsen en een bus.
Daar loopt ook een hond.
Bas ziet de hond.
Bas doet waf waf.
De werkauto staat bij het huis.
Bram doet de deur open.
Mila zit naast Bram.
Bram houdt het stuur vast.
Mila houdt haar jas vast.
Ze rijden naar het land.
De regen tikt op het raam.
Mila hoort tik tik tik.
Bram ruikt naar koffie.
Mila ruikt brood in haar tas.
Op het land werkt Bram kort.
Hij doet werk met hooi.
Mila kijkt naar de lucht.
De lucht is nog wit.
Dan gaat Bram naar ander land.
De werkauto moet ook mee.
Er zijn twee wegen.
Een straat is klein.
De A12 is groot.
Mila kijkt naar Bram.
Zij denkt: de A12 is erg groot.
Bram zegt: De kleine straat is vol.
Daar lopen veel kinderen.
Daar rijden veel fietsen.
Mijn werkauto past daar slecht.
Op de A12 is meer plek.
Daar gaan auto's recht.
Daar is plek links.
Auto's gaan dan links.
Mila zegt: Gaat dat goed?
Bram zegt: Ja, ik rij goed.
Een agent staat bij de straat.
De agent heeft een gele jas.
Bram praat met de agent.
Bram zegt: Ik neem de A12.
De agent zegt: Dat mag vandaag.
De agent zegt: Goed plan.
De werkauto gaat de A12 op.
Mila ziet veel auto's.
Een rode auto gaat links.
Een bus gaat links.
Een trein gaat naast de weg.
De trein lijkt snel.
Mila zegt: Dag trein.
De trein zegt niets.
Bas is niet mee.
Toch zegt Mila: waf.
Bram zegt: Jij bent geen hond.
Mila zegt: Vandaag wel.
Bram lacht.
De werkauto gaat niet snel.
De regen stopt.
De zon is licht.
De gele auto is mooi.
Een auto doet toet.
Mila doet ook toet.
Bram zegt: Jij bent geen auto.
Mila zegt: Vandaag wel.
Bram lacht weer.
Na de A12 is de straat stil.
Bram rijdt naar het land.
De werkauto past nu goed.
Geen fiets staat voor hem.
Geen bus staat voor hem.
Bij het land is een man.
De man heet Joop.
Joop werkt ook op het land.
Joop heeft brood met kaas.
Hij zegt: Wil jij brood?
Mila zegt: Ja, graag.
Bram drinkt water.
Joop drinkt thee.
Joop ziet de werkauto.
Joop zegt: De A12 helpt soms.
Bram zegt: Ja, soms wel.
De kleine straat blijft fijn.
Maar vandaag is de A12 beter.
Mila denkt: groot kan goed zijn.
Klein kan ook goed zijn.
Bas is thuis.
Bas vindt brood goed.
Dat is zijn plan.
In de middag gaan ze naar huis.
Mila eet soep.
Noor leest een boek.
Bram vertelt over de A12.
Bas kijkt naar Bram.
Bas doet waf.
Mila zegt: Bas wil ook A12.
Noor lacht.
Bram zegt: Bas neemt de stoep.
Bas kijkt naar de stoep.
Hij gaat naar zijn mand.
Mila is blij.
Zij heeft een dag met regen.
Zij heeft brood en een grap.
Zij ziet de gele werkauto.
Zij zegt: Dag grote auto.
Morgen is weer school.
Vandaag is klaar.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze