

Audio1x
Snelheid
Oefenen
Woordenschat
Buiten valt de regen zacht tegen het raam.
Je hoort het ritme, traag en gelijkmatig.
Het is zondagavond in Groningen.
De keuken is warm en stil.
Het licht boven de tafel is zacht geel.
Het schijnt op het hout van de tafel.
Het hout is oud en glad.
Je ziet de nerven lopen, krom en rustig.
Je ademt in.
Je ademt uit.
De lucht ruikt naar iets warms.
Misschien naar brood.
Misschien naar thee.
De geur blijft hangen, zacht en rond.
Op het aanrecht staat een ketel.
Het water is nog warm.
Er komt een klein beetje stoom omhoog.
De stoom lost langzaam op in de lucht.
Buiten is de straat nat.
Het licht van de lantaarn valt op het water.
Kleine druppels glinsteren even.
Dan verdwijnen ze weer.
Je zit aan de tafel.
Je handen rusten op het hout.
Het hout voelt glad en koel.
Langzaam wordt het warmer van je handen.
De regen tikt tegen het glas.
Tik.
Tik.
Tik.
Soms wat sneller.
Dan weer langzaam.
Het blijft rustig.
In de kamer hangt een zachte stilte.
Geen haast.
Geen geluid van buiten dat blijft.
Alleen de regen en je adem.
Je ademt in door je neus.
De lucht komt diep in je buik.
Je laat hem langzaam los.
Je schouders zakken een beetje.
De keuken is niet groot.
Maar hij is warm.
De muren zijn licht van kleur.
Er hangt een dun gordijn voor het raam.
Het beweegt bijna niet.
Op tafel staat een mok.
De mok is warm.
Er zit thee in.
De thee is licht van kleur.
Je ziet de damp boven de mok.
Je neemt de mok in je handen.
De warmte gaat naar je vingers.
Het voelt goed.
Je houdt de mok even vast.
Dan zet je hem terug.
De regen blijft vallen.
Zacht en gelijkmatig.
Het geluid is bijna als een deken.
Een deken van geluid om de kamer heen.
Je kijkt naar het raam.
De druppels lopen naar beneden.
Ze maken kleine lijnen op het glas.
Soms raken ze elkaar.
Dan wordt de lijn dikker.
Achter het glas is het donker.
De avond is al gevallen.
De lucht is diep blauw.
Bijna zwart.
Geen sterren te zien.
Alleen het licht van de lantaarn.
Je voelt de warmte van de keuken om je heen.
Het is een zachte warmte.
Niet te veel.
Precies goed.
Je ademt weer in.
Je ademt weer uit.
Je voelt je lichaam rustig worden.
Je voeten op de grond.
De grond is koel.
Maar niet koud.
De stoel onder je is stevig.
Hij draagt je.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Buiten rijdt een fietser voorbij.
Je hoort het zachte geluid van banden op nat wegdek.
Dan is het weer stil.
Alleen de regen.
De keuken ruikt nog steeds naar thee.
En naar iets zoets.
Misschien een koekje dat nog op tafel ligt.
Je ziet een klein bord.
Er ligt een koekje op.
Het is rond en lichtbruin.
Je pakt het koekje niet.
Je kijkt ernaar.
Dat is genoeg.
Het ligt daar rustig.
Het wacht.
De regen wordt iets zachter.
Tik.
Tik.
Dan stil.
Dan weer tik.
Het ritme verandert.
Maar het blijft rustig.
Je handen liggen weer op tafel.
Je voelt het hout.
Je voelt de warmte van de kamer.
Je voelt je adem.
De tijd gaat langzaam.
Dat is goed.
Er is geen haast.
De zondagavond is van jou.
Het licht boven de tafel blijft zacht.
Het beweegt niet.
Het is een rustig licht.
Het vraagt niets van je.
Je kijkt naar de mok.
De thee is nog warm.
Je neemt een klein slokje.
Het smaakt zacht.
Een beetje zoet.
Je slikt langzaam.
Buiten valt de regen nog steeds.
Zacht tegen het raam.
Zacht op de straat.
Zacht op de daken van Groningen.
De keuken is warm.
De kamer is stil.
Je adem is rustig.
Alles is goed.
Je blijft zitten.
Je rug leunt tegen de stoel.
De stoel is van hout.
Hij is oud en stevig.
Hij kraakt niet.
Hij houdt je vast.
Op tafel staat de mok.
De thee is nu lauw.
Dat is niet erg.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Buiten is het donker.
De straat is leeg.
De ramen van de huizen zijn zacht verlicht.
Achter sommige ramen brandt een lamp.
Achter andere is het donker.
De mensen zijn thuis.
Of ze slapen al.
De regen tikt nog.
Soms zacht.
Soms heel zacht.
Dan weer iets harder.
Maar nooit hard genoeg om te storen.
Het is een geluid dat je kunt vergeten.
En dan hoor je het weer.
Tik.
Tik.
Tik.
Je kijkt naar het raam.
Er lopen kleine druppels naar beneden.
Ze glinsteren in het licht van de keuken.
Ze gaan langzaam.
Ze hebben geen haast.
Net als jij.
De keuken ruikt naar thee.
Een beetje naar kruiden.
Een beetje naar warm hout.
Het is een bekende geur.
Een geur van thuis.
Je handen liggen op tafel.
Je voelt het hout.
Het is glad.
Het is warm.
Je vingers bewegen niet.
Ze rusten gewoon.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je voelt je borst rustig op en neer gaan.
Je voelt je buik zacht bewegen.
Je adem is stil.
Je adem is van jou.
Het licht boven de tafel is nog steeds zacht.
Het is een klein licht.
Het verlicht alleen de tafel.
De rest van de keuken is in een zachte schemer.
Dat is genoeg.
Je kijkt naar het bord.
Het koekje ligt er nog.
Het is rond.
Het is lichtbruin.
Het beweegt niet.
Het wacht.
Je hoeft het niet te pakken.
Kijken is genoeg.
Op het aanrecht staat een kom.
Er ligt een lepel naast.
De lepel glimt een beetje.
Alles is opgeruimd.
Alles is rustig.
De koelkast zoemt zacht.
Een laag geluid.
Bijna geen geluid.
Het past bij de stilte.
Het maakt de stilte voller.
Je denkt aan niets bijzonders.
Je denkt aan de dag.
Aan de ochtend.
Aan de middag.
Aan de wandeling die je maakte.
Aan de wind.
Aan de meeuwen boven het water.
Aan de mensen die langsliepen.
Aan de bladeren op de grond.
De dag was gewoon.
De dag was goed.
Nu is het avond.
De avond is ook goed.
Je sluit even je ogen.
Je hoort de regen.
Je hoort de koelkast.
Je hoort je eigen adem.
Je hoort niets anders.
Dat is fijn.
Je opent je ogen weer.
De keuken is er nog.
De tafel.
De mok.
Het bord.
Het koekje.
Het licht.
Alles is er nog.
Alles is rustig.
Je schuift een klein stukje op je stoel.
Je benen voelen warm.
Je voeten rusten op de grond.
De vloer is van hout.
Hij is oud.
Hij is zacht onder je voeten.
Buiten valt de regen nog steeds.
Zacht tegen het raam.
Zacht op de straat.
Zacht op de daken van Groningen.
De keuken is warm.
De kamer is stil.
Je adem is rustig.
Alles is goed.
Je kijkt nog eens naar de mok.
De thee is bijna op.
Je drinkt het laatste slokje.
Het is lauw.
Het is zacht.
Je zet de mok terug.
Voorzichtig.
Zonder geluid.
De tafel is weer stil.
Het bord.
Het koekje.
De mok.
Jij.
De zondagavond gaat langzaam verder.
Er is geen haast.
Er is geen plan.
Er is alleen dit moment.
En dat is genoeg.
Je handen liggen weer op tafel.
Je voelt het hout.
Je voelt de warmte van de kamer.
Je voelt je adem.
De tijd gaat langzaam.
Dat is goed.
De zondagavond is van jou.
Je blijft zitten.
Je rug leunt tegen de stoel.
De stoel is van hout.
Hij kraakt niet.
Hij is stil.
Net als jij.
Het licht boven de tafel is zacht.
Het is geen fel licht.
Het is een klein beetje geel.
Het valt op het tafelkleed.
Het tafelkleed is oud.
Het heeft kleine bloemen.
Je kijkt ernaar zonder iets te denken.
Buiten is het donker.
De regen valt nog steeds.
Je hoort het tegen het raam.
Tik.
Tik.
Tik.
Zacht en gelijkmatig.
Het geluid komt en gaat.
Het blijft.
Het is een rustig geluid.
Het past bij de avond.
Op de vensterbank staat een plant.
Een kleine plant.
Hij is groen.
Hij beweegt een beetje.
Niet door de wind.
Door de warmte binnen.
De verwarming is aan.
Je voelt het aan je voeten.
De vloer is niet koud.
De vloer is zacht en warm.
Je kijkt naar de mok.
Hij staat nog op tafel.
Leeg nu.
De thee is op.
Maar de mok is er nog.
Hij is van aardewerk.
Bruin en glad.
Je raakt hem even aan.
Hij is nog een beetje warm.
Van de thee.
Van je handen.
De keuken ruikt naar brood.
Naar iets zoets.
Misschien van het koekje.
Misschien van vroeger.
De geur blijft hangen.
Hij is niet sterk.
Hij is zacht.
Hij vult de kamer een beetje.
Je ademt in.
Langzaam.
Je ademt uit.
Nog langzamer.
Je schouders zakken een klein stukje.
Ze zijn niet hoog.
Ze zijn niet gespannen.
Ze zijn gewoon daar.
De regen tikt tegen het glas.
Tik.
Tik.
Tik.
Soms stopt het even.
Dan begint het weer.
Je luistert.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft nergens heen.
Je bent hier.
In deze keuken.
In dit huis.
In Groningen.
De tafel is stil.
Het bord.
Het koekje.
De mok.
Jij.
Alles is er nog.
Alles is rustig.
Je schuift je stoel een heel klein beetje naar achteren.
Niet om op te staan.
Alleen om te bewegen.
De poten van de stoel gaan zacht over de vloer.
Het is een klein geluid.
Dan is het weer stil.
Je handen liggen op tafel.
Je voelt het hout.
Het is glad.
Het is oud.
Het heeft veel meegemaakt.
Maar nu is het gewoon hout.
Onder jouw handen.
Buiten fietst iemand voorbij.
Je hoort de banden op het natte asfalt.
Sissend.
Zacht.
Dan is het weg.
De straat is weer leeg.
De regen valt verder.
Op de daken.
Op de ramen.
Op de wereld.
De zondagavond is lang.
Dat is goed.
Er is geen haast.
Er is geen plan.
Er is alleen dit moment.
En dat is genoeg.
Je kijkt naar het raam.
De regen maakt kleine strepen op het glas.
Ze lopen langzaam naar beneden.
Ze verdwijnen.
Er komen nieuwe.
Je kijkt ernaar.
Je ogen zijn rustig.
Ze knipperen langzaam.
De kamer is warm.
De kamer is stil.
Je adem is rustig.
Alles is goed.
Je denkt aan niets bijzonders.
Aan de dag van morgen.
Die komt vanzelf.
Aan de week die voorbij is.
Die is al klaar.
Nu is het alleen nog avond.
Alleen nog deze keuken.
Alleen nog dit licht.
De plant op de vensterbank beweegt weer.
Een blad trilt even.
Dan is het stil.
Net als jij.
Je voeten rusten op de grond.
De vloer is van hout.
Hij is oud.
Hij is zacht.
Hij draagt je.
Je hoeft niets te dragen.
Je mag gewoon zitten.
De tijd gaat langzaam.
Dat is goed.
De zondagavond is van jou.
De keuken is van jou.
De stilte is van jou.
Je blijft nog even zitten.
Nog heel even.
De regen valt.
Het licht brandt.
De warmte blijft.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
De regen blijft vallen.
Zacht en gelijkmatig.
Je hoort het zonder er iets bij te hoeven doen.
Het geluid is er gewoon.
Zoals je adem.
Zoals het licht.
Op tafel staat een mok.
Hij is leeg nu.
De thee is op.
De warmte van de mok is nog een beetje voelbaar als je je hand eromheen legt.
Je doet het niet.
Je kijkt alleen.
De mok is wit.
Er zit een klein chipje aan de rand.
Dat is al jaren zo.
Je weet niet meer wanneer het gekomen is.
Het hoort erbij.
Buiten is het donker.
Niet zwart.
Meer zacht blauwgroen.
De lucht boven de stad houdt nog wat licht vast.
Een paar ramen aan de overkant zijn verlicht.
Geel.
Warm.
Mensen binnen.
Ieder in een eigen kamer.
Ieder in een eigen zondagavond.
De verwarming tikt.
Een klein geluid.
Metaal dat uitzet.
Dan weer stilte.
Je ademt in.
Je ademt uit.
Je schouders zakken een stukje.
Ze zakken nog een stukje.
Ze hoeven niets te dragen.
Niet nu.
De deken ligt over je benen.
Hij is zacht.
Hij is warm.
Hij ruikt een beetje naar wasmiddel.
Naar thuis.
Je trekt hem iets hoger.
Tot aan je middel.
Je handen rusten erop.
Ze zijn stil.
Je vingers bewegen niet.
Ze hoeven niets vast te houden.
De plant op de vensterbank is groen.
Donkergroen.
De blaadjes glanzen een beetje in het lamplicht.
Een nieuw blaadje is open.
Het is nog klein.
Het is nog zacht.
Het groeit langzaam.
Net als de avond.
Net als jij.
Je kijkt naar de klok.
Hij staat op de plank.
Hij tikt niet.
Het is een stille klok.
Alleen de wijzers bewegen.
Langzaam.
Zeker.
Ze wijzen naar bijna negen.
Nog geen haast.
Nog geen morgen.
Alleen nu.
De regen wordt iets zachter.
Dan weer iets harder.
Dan weer zacht.
Het ritme verandert steeds een beetje.
Maar het stopt niet.
Het blijft bij je.
Als een deken van geluid.
Je denkt aan de keuken van vroeger.
Aan een andere tafel.
Aan een andere zondag.
Maar dat is ver weg.
Het doet geen pijn.
Het is alleen een beeld.
Zacht en wazig.
Je laat het weer gaan.
Het mag wegzakken.
Net als de dag.
De stoel onder je is stevig.
Hij kraakt niet.
Hij houdt je.
Je rug leunt tegen de leuning.
Je voelt de vorm van het hout.
Koud eerst.
Dan warm.
Van jou.
Je ogen worden zwaar.
Niet moe.
Meer vol.
Vol van alles wat rustig is.
Je knippert langzaam.
Een keer.
Nog een keer.
De keuken blijft hetzelfde.
Warm.
Stil.
Veilig.
Misschien ga je zo nog even naar de kamer.
Misschien blijf je nog even hier.
Het maakt niet uit.
Er is geen plan.
Er is geen haast.
De avond draagt je.
De regen dekt je toe.
Het licht waakt.
Je hand ligt nu op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht.
Je voelt je adem.
Rustig.
Je voelt de tijd.
Langzaam.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
Het is goed zo.
Alles is goed zo.
Niets hoeft anders.
Buiten dooft langzaam een raam aan de overkant.
Iemand gaat slapen.
Jij nog niet.
Nog heel even niet.
Nog heel even hier.
In de warme keuken.
In het zachte licht.
In de stilte die van jou is.
De regen valt.
De plant groeit.
De klok wijst.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
De stilte is zacht.
Ze heeft geen rand.
Geen einde.
Alleen maar ruimte.
Je ademt.
In.
Uit.
De lucht is lauw.
Een beetje vochtig van de regen.
Een beetje zoet van de thee.
Op het aanrecht staat een schaal.
Er liggen drie appels in.
Rood met een klein groen plekje.
Ze glimmen een beetje in het licht.
Je kijkt ernaar zonder iets te denken.
Appels zijn gewoon appels.
Ze liggen daar.
Ze wachten niet.
Ze vragen niets.
De verwarming tikt.
Een klein geluid.
Dan stilte.
Dan weer een tik.
Het is een ritme.
Traag.
Vriendelijk.
Alsof het huis zachtjes tegen zichzelf praat.
Je schuift je voet over de vloer.
De tegels zijn koel.
Maar niet koud.
Ze voelen glad.
Ze voelen bekend.
Deze keuken kent je voeten.
Elke zondag opnieuw.
Buiten fietst iemand voorbij. langzaam.
Je hoort de banden op het natte asfalt.
Een zacht sissend geluid.
Dan is het weer stil.
De regen neemt het over.
De regen neemt altijd alles over.
Zacht.
Geduldig.
Je mok is bijna leeg.
Alleen de bodem nog.
Een klein plasje thee.
Lauw nu.
Je drinkt het niet op.
Je laat het staan.
Het mag daar blijven.
Niets moet weg.
De deken ligt over je benen.
Grijs.
Zacht.
Hij is oud.
Hij is van jou.
Hij ruikt naar thuis.
Naar wasmiddel.
Naar rust.
Je ogen vallen bijna dicht.
Maar je bent niet moe.
Je bent vol.
Vol van de dag.
Vol van de stilte.
Vol van niets bijzonders.
De plant op de vensterbank beweegt niet.
Toch groeit hij.
Traag.
Onzichtbaar.
Net als jij.
Net als deze avond.
Je denkt aan niets.
Je denkt aan alles.
Aan de regen.
Aan de appels.
Aan de tik van de verwarming.
Aan de warmte in je handen.
De klok op de muur wijst.
Je kijkt niet.
Je hoeft niet te kijken.
De tijd gaat toch wel.
Langzaam.
Vriendelijk.
Zonder haast.
Ergens in huis kraakt een plank.
Het is een oud huis.
Het kraakt.
Het zucht.
Het houdt je vast.
Zachtjes.
Je ademt nog een keer.
Diep.
Rustig.
Je voelt je longen vol stromen.
Dan leeg.
Dan weer vol.
Het gaat vanzelf.
Alles gaat vanzelf.
De keuken is warm.
De keuken is stil.
De keuken is veilig.
Jij bent hier.
Dat is genoeg.
Misschien staat er nog een glas water.
Misschien niet.
Het maakt niet uit.
Je hoeft niets te doen.
Je hoeft niets te weten.
Je bent er.
Dat is alles.
Buiten dooft nog een raam.
De straat wordt donkerder.
De regen blijft vallen.
Zacht.
Regelmatig.
Als een lied zonder woorden.
Je hand ligt op de deken.
Je voelt de stof.
Zacht.
Je voelt je adem.
Rustig.
Je voelt de tijd.
Langzaam.
De mok staat nog op tafel.
Het chipje aan de rand.
Het is goed zo.
Alles is goed zo.
Niets hoeft anders.
De verwarming tikt.
De regen valt.
De plant groeit.
En jij bent er.
Rustig.
Veilig.
Hier.
De verwarming tikt nog een keer.
Dan is het stil.
Dan tikt hij weer.
Je hoort het patroon.
Tik.
Stilte.
Tik.
Stilte.
Als een hartslag.
Als een klok.
Maar dan zachter.
Het licht boven de tafel is geel.
Warm geel.
Het valt op het hout.
Het hout is oud.
Het hout heeft jaren gezien.
Jaren van avonden.
Jaren van zondagen.
Jaren van stille momenten zoals deze.
Je kijkt naar het raam.
De regen loopt naar beneden.
Langzaam.
Soms raakt een druppel een andere druppel.
Dan worden ze samen één.
Dan glijden ze verder.
Naar beneden.
Naar de rand.
En dan vallen ze.
Zacht.
Buiten is de straat nat.
De stenen glimmen een beetje.
Er is bijna niemand.
Een fietser.
Dan niemand.
Dan weer niemand.
De stad is stil op zondagavond.
Groningen ademt langzaam.
Net als jij.
De mok op tafel is nog warm.
Je voelt de warmte door het glas.
Het chipje aan de rand is klein.
Bijna niets.
Maar je weet dat het er is.
Dat is genoeg.
Kleine dingen zijn genoeg.
Je hand ligt nog op de deken.
De deken is zacht.
De deken is warm.
De deken ruikt een beetje naar thuis.
Naar wasmiddel.
Naar rust.
Je vingers bewegen niet.
Ze hoeven niet te bewegen.
Ze liggen gewoon.
En dat is goed.
De plant in de hoek groeit.
Je ziet het niet.
Maar hij groeit.
Elke dag een beetje.
Elke nacht een beetje.
Hij doet niets bijzonders.
Hij is er gewoon.
Net als jij.
De regen valt nog steeds.
Zacht.
Regelmatig.
Als een lied zonder woorden.
Je kent het lied niet.
Maar je voelt het.
In je schouders.
In je adem.
In je buik.
Het lied is rustig.
Het lied is veilig.
Je ademt nog een keer.
Diep.
Rustig.
Je longen vullen zich.
Met lucht.
Met warmte.
Met stilte.
Dan leeg.
Dan weer vol.
Het gaat vanzelf.
Alles gaat vanzelf.
De keuken is warm.
De keuken is stil.
De keuken is veilig.
Jij bent hier.
Dat is genoeg.
Misschien denk je aan iets.
Misschien niet.
Het maakt niet uit.
Gedachten komen.
Gedachten gaan.
Als druppels op het raam.
Je hoeft ze niet vast te houden.
Je laat ze gaan.
OefenenLees
Tekst
Audio