Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Een maanlichte wandeling langs de Waddenzee

Het regent zacht tegen het raam.

Je hoort het eerst niet, dan wel.

Kleine druppels die langzaam naar beneden glijden.

Ze tekenen dunne lijnen op het glas.

Buiten is het al donker.

Binnen is het warm.

De kamer is stil.

Alleen de regen en je adem.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Er brandt één lamp.

Het licht is zacht en geel.

Het valt op de tafel, op de stoel, op de deken die over je benen ligt.

De deken is zacht.

Hij is warm.

Je voelt hem licht op je huid.

Je zit bij het raam.

Je kijkt naar buiten.

De wereld is nat en donker.

Maar hier binnen is het veilig.

Hier binnen is het rustig.

De regen tikt tegen het glas.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een zacht geluid.

Een geluid dat blijft.

Je luistert ernaar.

Je ademt mee met de regen.

In.

Uit.

In.

Uit.

De kamer ruikt licht naar hout en naar warmte.

Er staat een kopje thee op tafel.

De thee is nog warm.

De stoom krult langzaam omhoog.

Je kijkt ernaar.

De stoom verdwijnt in de lucht.

Heel langzaam.

Je handen liggen rustig op je schoot.

Ze zijn warm.

Je voelt de deken onder je vingers.

Zacht.

Stevig.

Vertrouwd.

Buiten waait de wind zacht.

De regen valt schuin.

Soms hoor je een druppel vallen van het dak.

Dan is het weer stil.

Alleen het tikken tegen het raam blijft.

Je ademt nog een keer diep in.

Je schouders zakken een beetje.

Je voelt je lichaam zwaar worden.

Zwaar en warm.

De stoel houdt je vast.

De deken houdt je warm.

De lamp brandt rustig.

Het licht beweegt niet.

Het blijft stil en geel.

Je kijkt naar de muur.

Het licht raakt de muur zacht.

Alles is zacht hier.

De regen blijft vallen.

Het is een rustig geluid.

Een geluid dat je kent.

Een geluid dat veilig voelt.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

De kamer is stil.

De deken is warm.

De thee koelt langzaam af.

Dat is niet erg.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je kijkt weer naar buiten.

De lucht is donker.

Maar ver weg zie je iets lichts.

Misschien de maan.

Misschien het licht van een straat.

Het is ver weg.

Het is zacht.

De regen wordt stiller nu.

Tik.

Tik.

Dan even niets.

Dan weer zacht getik.

Je ademt rustig verder.

In.

Uit.

Je voelt je ogen zwaar worden.

Niet moe.

Alleen zwaar en rustig.

De kamer is warm.

De deken is zacht.

De regen blijft.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft niets te vragen.

Alles is goed zoals het is.

De lamp.

De deken.

De thee.

De regen.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De kamer is stil.

De regen valt zacht.

En jij bent hier.

Veilig.

Warm.

Rustig.

Je blijft nog even zitten.

De stilte is niet leeg.

De stilte is vol van kleine dingen.

Het zachte licht van de lamp.

De warmte van de deken om je heen.

Je handen rusten.

Je schouders zakken een beetje.

Dat gaat vanzelf.

Buiten is het nog steeds donker.

Maar het is een vriendelijke duisternis.

Geen haast.

Geen geluid dat je roept.

Alleen de regen die langzaam minder wordt.

Tik.

Tik.

Dan stilte.

Dan weer een paar druppels.

Je luistert zonder te wachten.

Je hoort zonder te zoeken.

De thee is nu bijna koud.

Je neemt nog een laatste slok.

Het smaakt zacht.

Bijna naar niets.

Maar dat is goed.

Het is een klein, warm moment.

Dan zet je het kopje neer.

Zachtjes.

Op tafel.

Het klinkt heel even.

Dan is het weer stil.

Je kijkt naar het raam.

De regen heeft kleine strepen achtergelaten.

Ze glinsteren een beetje in het lamplicht.

Als kleine paden.

Als kleine wegen.

Je volgt ze met je ogen.

Langzaam.

Zonder doel.

En dan zie je het weer.

Ver weg.

Dat zachte licht.

Misschien de maan.

Misschien een lantaarn aan de kust.

Het is nog steeds ver.

Nog steeds klein.

Maar het is er.

Rustig.

Geduldig.

Net als jij.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De kamer is stil.

De deken is warm.

De regen valt zacht.

En jij bent hier.

Veilig.

Warm.

Rustig.

Je denkt aan de zee.

Niet met woorden.

Alleen met een gevoel.

Aan het water dat altijd beweegt.

Aan de wind die altijd ergens is.

Aan het zand dat zacht is onder je voeten.

Je hoeft er niet heen.

Het is al bij je.

In je gedachten.

In je adem.

De regen stopt nu bijna.

Alleen af en toe een druppel.

Tik.

Dan niets.

Dan weer tik.

Het is een klein ritme.

Een rustig ritme.

Je ademt mee.

In.

Uit.

In.

Uit.

Je ogen vallen bijna dicht.

Niet omdat je moe bent.

Alleen omdat het goed is.

Omdat alles zacht is.

De lamp.

De deken.

De thee.

De regen.

De stilte om je heen.

Je voelt je lichaam zwaar worden.

Op een fijne manier.

Alsof je langzaam wegzakt in iets warms.

Iets veiligs.

De stoel houdt je vast.

De deken houdt je warm.

De kamer is stil.

Buiten is het nu bijna helemaal droog.

Alleen de lucht is nog nat.

De straat glimt een beetje.

In het licht van de maan.

Of van die ene lamp.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is rustig.

Je ademt nog een keer diep in.

En langzaam uit.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

De lamp.

De deken.

De thee.

De regen.

De zee in je gedachten.

Je bent hier.

Veilig.

Warm.

Rustig.

De nacht is zacht.

De wereld is stil.

En jij mag gewoon zijn.

Je ligt daar.

En je denkt aan de zee.

Niet ver weg.

Gewoon rustig aanwezig.

Achter je ogen.

Achter je adem.

De wandeling was langzaam.

Je liep over het pad langs de dijk.

Het zand was zacht.

Het gras bewoog een beetje.

De wind was niet koud.

Alleen koel.

En stil.

De maan stond hoog.

Hij scheen op het water.

Het water glinsterde.

Niet fel.

Niet hard.

Alleen zacht.

Als een deken van licht.

Over de zee.

Over het zand.

Over jou.

Je hoort de zee nog.

In je gedachten.

Het is een laag geluid.

Een traag geluid.

Het komt en het gaat.

Net als je adem.

In.

Uit.

In.

Uit.

De golven raken de kust.

Zacht.

Steeds opnieuw.

Ze vragen niets.

Ze hoeven niets.

Ze zijn er gewoon.

En jij bent er ook.

Rustig.

Veilig.

Warm.

Je ziet de lucht boven de zee.

Hij is donkerblauw.

Bijna zwart.

Maar niet eng.

Er zijn sterren.

Kleine puntjes licht.

Ze staan stil.

Ze kijken mee.

Naar jou.

Naar de zee.

Naar de nacht.

De maan maakt een pad op het water.

Een smalle lijn van licht.

Die lijn beweegt een beetje.

Met de golven mee.

Heel langzaam.

Heel zacht.

Je voelt de deken om je heen.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij houdt je vast.

De stoel onder je is stevig.

Hij draagt je.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

De thee is bijna op.

De beker is nog warm in je handen.

Je voelt de warmte langzaam zakken.

In je vingers.

In je handen.

In je armen.

Het is een fijn gevoel.

Een rustig gevoel.

Buiten is het stil.

De regen is gestopt.

De lucht is nog nat.

De straat glimt zacht.

In het licht van de maan.

Of van de lamp.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is rustig.

Je ademt nog een keer in.

Diep en langzaam.

En je laat de lucht weer gaan.

Zachtjes.

Rustig.

Je schouders zakken een beetje.

Je nek wordt los.

Je hoofd voelt licht.

De zee in je gedachten is rustig.

De golven komen en gaan.

Ze vragen niets.

Ze hoeven niets.

Ze zijn er gewoon.

En jij bent er ook.

Hier.

In deze kamer.

In deze stoel.

Onder deze deken.

De lamp brandt zacht.

De kamer is stil.

De deken is warm.

De thee is bijna op.

De zee is dichtbij.

In je gedachten.

In je adem.

In je rust.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

Je bent hier.

Veilig.

Warm.

Rustig.

De nacht is zacht.

De wereld is stil.

En jij mag gewoon zijn.

Je ogen zijn zacht.

Ze kijken naar het licht.

Of ze zijn bijna dicht.

Dat mag.

Alles mag nu zacht zijn.

Je handen liggen stil.

Op je schoot.

Of op de deken.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze mogen gewoon rusten.

Zwaar en warm.

Buiten is de lucht nog nat.

De straat glimt.

Het licht valt er zacht op.

Het is een stil licht.

Het vraagt niets.

Het is er gewoon.

Net als de maan.

Net als de zee in je gedachten.

Je ziet het strand voor je.

Nat zand.

Glad en donker.

Het water komt langzaam dichterbij.

Dan gaat het weer terug.

Heel rustig.

Heel zacht.

De golven zijn klein.

Ze ruisen.

Zacht en egaal.

Het geluid komt en gaat.

Net als je adem.

Je ademt in.

Langzaam.

Je ademt uit.

Nog langzamer.

De lucht is koel.

Maar niet koud.

Hij voelt zacht.

Hij stroomt rustig naar binnen.

En weer naar buiten.

Je hoeft er niets voor te doen.

Je adem weet de weg.

Vanzelf.

Rustig.

Zacht.

De maan staat hoog.

Hij is helder.

Maar niet fel.

Hij geeft licht.

Zacht licht.

Over het water.

Over het zand.

Over de schelpen.

Kleine schelpen.

Ze liggen stil.

Ze glinsteren een beetje.

In het maanlicht.

Of in het lamplicht.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is rustig.

Je loopt langzaam.

Je voeten raken het zand.

Zacht.

Steeds opnieuw.

Het zand geeft mee.

Het is koel.

Maar niet koud.

Het voelt goed.

Bij elke stap.

Langzaam.

Rustig.

Je hoeft nergens heen.

Je mag gewoon lopen.

Of stil staan.

Dat mag ook.

De wind is zacht.

Hij raakt je wangen.

Licht.

Bijna niets.

Hij fluistert een beetje.

Over het water.

Over het zand.

Over de stilte.

De wind vraagt niets.

Hij is er gewoon.

Net als jij.

Hier.

In deze kamer.

In deze stoel.

Onder deze deken.

De deken is warm.

Hij ligt om je heen.

Zacht en rustig.

Je voelt hem.

Bij je schouders.

Bij je armen.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Gewoon zacht.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent rustig.

De thee is bijna op.

Het kopje is warm in je handen.

Of het staat naast je.

Stil.

De warmte trekt langzaam weg.

Dat is goed.

Alles mag langzaam gaan.

Niets hoeft snel.

Niets hoeft nu.

De zee in je gedachten is nog steeds rustig.

De golven komen en gaan.

Ze vragen niets.

Ze hoeven niets.

Ze zijn er gewoon.

En jij bent er ook.

Hier.

In deze kamer.

In deze stoel.

Onder deze deken.

Met je adem.

Met je rust.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

Je bent hier.

Veilig.

Warm.

Rustig.

De nacht is zacht.

De wereld is stil.

En jij mag gewoon zijn.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed.

De maan staat nog steeds aan de hemel.

Hij is niet veranderd.

Hij schuift heel langzaam mee met de nacht.

Je ziet het bijna niet.

Maar hij is er.

Stil en helder.

Zijn licht valt op het water.

Het maakt een zilveren pad.

Een pad dat naar de horizon loopt.

Heel ver weg.

En toch dichtbij.

Je loopt langs de rand van het water.

Je voeten raken het zand.

Zacht.

Het zand is koel.

Maar niet koud.

Het voelt prettig.

Bij elke stap zakt je voet een klein beetje weg.

Dan komt hij weer omhoog.

Het is een rustig ritme.

Stap voor stap.

Adem in.

Adem uit.

De zee is naast je.

Ze is groot.

En stil.

De golven komen en gaan.

Ze vragen niets.

Ze hoeven niets.

Ze zijn er gewoon.

Net als jij.

Je hoeft ook niets.

Je hoeft nergens heen.

Je loopt gewoon.

Langs het water.

Onder de maan.

In de nacht.

Af en toe hoor je een zacht geluid.

Het water dat het strand raakt.

Een klein klotsen.

Dan weer stilte.

Dan weer een golf.

Het is een geluid dat je geruststelt.

Het is altijd hetzelfde.

En altijd anders.

Komt en gaat.

Net als je adem.

Net als je gedachten.

Ze komen.

En ze gaan.

Je hoeft ze niet vast te houden.

Je kijkt naar de lucht.

Er zijn weinig wolken.

Hier en daar een dunne streep.

Ze drijven langzaam.

Ze hebben geen haast.

De maan schijnt er doorheen.

Zacht.

Het licht is niet fel.

Het is zacht.

Het raakt je huid.

Je gezicht.

Je handen.

Het voelt vriendelijk.

Je voelt de wind.

Hij is licht.

Hij komt van de zee.

Hij ruikt naar zout.

Naar water.

Naar ver.

Het is een rustige geur.

Hij vult je longen.

Langzaam.

Je ademt diep in.

En weer uit.

De wind raakt je haren.

Je kleren.

Hij speelt even met de stof.

Dan gaat hij verder.

Rustig.

Zacht.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent rustig.

Die woorden zijn er nog.

Ze zijn bij je gebleven.

Ze zijn zacht.

Ze vragen niets.

Je mag ze voelen.

In je schouders.

In je armen.

In je handen.

Ze zijn er.

Gewoon.

De deken ligt nog om je heen.

In je gedachten.

Of echt.

Dat maakt niet uit.

Hij is warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Gewoon zacht.

Je bent veilig.

Je bent warm.

Je bent rustig.

Je loopt nog een stukje.

Het zand is hier iets vochtiger.

Je hoort je voetstappen.

Ze zijn zacht.

Ze verdwijnen achter je.

Je hoeft niet om te kijken.

Je hoeft niets te zoeken.

Alles is hier.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

De golven blijven komen.

Ze blijven gaan.

Ze vragen niets.

Ze hoeven niets.

Ze zijn er gewoon.

En jij bent er ook.

Hier.

Op dit strand.

In deze nacht.

Met je adem.

Met je rust.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

De nacht is zacht.

De wereld is stil.

En jij mag gewoon zijn.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed.

Je voelt het zand onder je voeten.

Het is koel.

Niet koud.

Gewoon koel.

Zoals de nacht.

Zoals de lucht.

Je loopt langzaam verder.

Elke stap is zacht.

Elke stap is rustig.

Het strand is breed.

Er is ruimte.

Ruimte om te lopen.

Ruimte om te ademen.

Ruimte om te zijn.

De maan staat hoog.

Hij is helder.

Zijn licht valt op het water.

Het water glinstert.

Kleine lichtjes dansen op de golven.

Ze komen.

Ze gaan.

Ze komen weer.

Zacht.

Rustig.

Zonder haast.

Je kijkt naar de zee.

De zee is donker.

Maar niet eng.

Ze is diep.

Ze is stil.

Ze ademt mee met jou.

In.

En uit.

In.

En uit.

De golven ruisen.

Zacht.

Eentonig.

Als een liedje dat je kent.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Je deken ligt nog om je schouders.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij beweegt mee met je stappen.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Gewoon zacht.

Je voelt de stof tegen je huid.

Het is prettig.

Het is veilig.

Je hoort je voetstappen in het zand.

Ze zijn zacht.

Ze verdwijnen achter je.

Je hoeft niet om te kijken.

Je hoeft niets te zoeken.

Alles is hier.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

Soms is er een schelp.

Klein.

Wit.

Hij ligt daar zomaar.

Op het zand.

Je raapt hem niet op.

Je laat hem liggen.

Hij hoort hier.

Bij de zee.

Bij de nacht.

Bij dit strand.

Je loopt erlangs.

Zacht.

Rustig.

De wind is zacht.

Hij raakt je wang.

Hij raakt je haar.

Hij fluistert iets.

Je verstaat het niet.

Dat hoeft ook niet.

Het is genoeg om hem te voelen.

Om hem te horen.

Zacht.

Warm.

Veilig.

Je ademt diep in.

De lucht is fris.

Een beetje zout.

Een beetje koud.

Maar niet te koud.

Gewoon fris.

Je ademt uit.

Langzaam.

Je schouders zakken een beetje.

Ze zijn los.

Ze zijn zacht.

Je voelt je lichaam.

Het is hier.

Het is rustig.

De golven blijven komen.

Ze blijven gaan.

Ze vragen niets.

Ze hoeven niets.

Ze zijn er gewoon.

En jij bent er ook.

Hier.

Op dit strand.

In deze nacht.

Met je adem.

Met je rust.

De maan schijnt op je huid.

Op je handen.

Op je deken.

Alles is zacht.

Alles is licht.

Je voelt de rust in je buik.

In je benen.

In je voeten.

Het zand is koel.

De deken is warm.

De nacht is stil.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

De nacht is zacht.

De wereld is stil.

En jij mag gewoon zijn.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed.

Je loopt nog een stukje.

Langzaam.

Zacht.

Het zand is hier iets vochtiger.

Je voetstappen zijn dieper.

Ze verdwijnen achter je.

Je hoeft niet om te kijken.

Je hoeft niets te zoeken.

Alles is hier.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

De golven ruisen.

Zacht.

Eentonig.

Als een liedje dat je kent.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

Gewoon.

Je voelt de wind langs je wangen.

Heel licht.

Bijna niets.

De lucht is koel en ruikt naar zout.

Naar water.

Naar ver.

Je ademt diep in.

En weer uit.

Je ademt de nacht in je longen.

Zacht.

Rustig.

Je voelt je voeten in het zand.

Het zand is hier fijn.

Bijna poeder.

Het glijdt tussen je tenen.

Koel en zacht.

De maan staat hoog.

Hij is bijna vol.

Hij geeft geen warmte.

Alleen licht.

Een zacht, zilver licht.

Het valt op het water.

Het breekt in kleine stukjes.

Kleine stukjes licht op de golven.

Ze dansen.

Heel langzaam.

Heel stil.

Je kijkt ernaar.

Je hoeft niets te zeggen.

Je hoeft niets te doen.

Alleen kijken.

Alleen ademen.

Alleen zijn.

In de verte zie je een lichtje.

Klein.

Geel.

Het beweegt niet.

Het is ver weg.

Aan de overkant van het water.

Misschien een huis.

Misschien een boot.

Het maakt niet uit.

Het is gewoon een lichtje.

Een klein puntje in de nacht.

Je kijkt ernaar.

En dan weer naar de maan.

En dan weer naar het water.

Alles is rustig.

Alles is stil.

Je loopt verder.

Langzaam.

Zacht.

Het zand voelt koel onder je voeten.

Je voetstappen zijn diep.

Ze verdwijnen achter je.

Je hoeft niet om te kijken.

Je hoeft niets te zoeken.

Alles is hier.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

De golven ruisen.

Zacht.

Eentonig.

Als een liedje dat je kent.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

Gewoon.

Je voelt de deken om je schouders.

Hij is warm.

Hij is zacht.

Hij ruikt naar thuis.

Naar rust.

Je trekt hem iets dichter om je heen.

Je voelt de stof tegen je huid.

Zacht.

Warm.

Veilig.

De wind speelt met de rand van de deken.

Heel even.

Dan is het weer stil.

Boven je is de lucht donker.

Diep donker.

Bijna zwart.

Maar niet helemaal.

Er zijn sterren.

Kleine puntjes licht.

Ze zijn ver weg.

Ze zijn stil.

Ze bewegen niet.

Je kijkt naar ze.

Je hoeft ze niet te tellen.

Je hoeft ze niet te benoemen.

Je hoeft alleen maar te kijken.

En te ademen.

En te zijn.

Je ademt in.

Je voelt de lucht in je neus.

Koel en zout.

Je ademt uit.

Je voelt de lucht uit je mond.

Zacht en warm.

Je ademt nog een keer.

En nog een keer.

Je adem is rustig.

Je adem is traag.

Je adem is van jou.

Het zand is hier iets vochtiger.

Je voetstappen zijn dieper.

Ze verdwijnen achter je.

Je hoeft niet om te kijken.

Je hoeft niets te zoeken.

Alles is hier.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

Je voelt de rust in je buik.

In je benen.

In je voeten.

Het zand is koel.

De deken is warm.

De nacht is stil.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

De nacht is zacht.

De wereld is stil.

En jij mag gewoon zijn.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed.

Je loopt nog een stukje.

Langzaam.

Zacht.

De golven ruisen.

Zacht.

Eentonig.

Als een liedje dat je kent.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

Gewoon.

Je voelt het zand onder je voeten.

Korrel voor korrel.

Zacht en koel.

Het beweegt een beetje mee.

Je voetstappen zijn dieper hier.

Het zand is vochtiger.

Dichter bij de zee.

Dichter bij het water.

Je hoeft niet te kijken waar je loopt.

Je voeten weten de weg.

Langzaam.

Zeker.

Zacht.

De maan staat hoog aan de hemel.

Hij is helder vanavond.

Zijn licht valt op het water.

Het water glinstert.

Kleine lichtjes dansen op de golven.

Ze komen en gaan.

Ze komen en gaan.

Rustig.

Eentonig.

Als een liedje dat je kent.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

De zee ruist.

Zacht en traag.

De golven breken ver weg.

Je hoort ze aankomen.

Je hoort ze gaan.

Het is een geluid dat nooit stopt.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Je ademt mee met de zee.

In.

En uit.

In.

En uit.

Je adem is rustig.

Je adem is traag.

Je adem is van jou.

Je loopt verder.

Langzaam.

Je voeten zakken een beetje weg in het natte zand.

Het voelt zacht.

Bijna warm.

De deken om je schouders is warm.

De lucht is koel.

Het past bij elkaar.

Warm en koel.

Zacht en stil.

Alles is goed.

In de verte zie je een lichtpuntje.

Klein en stil.

Het beweegt niet.

Het is ver weg.

Misschien een schip.

Misschien een ster.

Het maakt niet uit.

Het is daar.

Rustig.

Het licht knippert niet.

Het blijft gewoon.

Net als jij.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je mag gewoon zijn.

Hier.

Nu.

In de nacht.

Bij de zee.

Onder de maan.

Je hoort je eigen voetstappen.

Zacht in het zand.

Ze verdwijnen achter je.

Je hoeft niet om te kijken.

Je hoeft niets te zoeken.

Alles is hier.

De maan.

De zee.

Het zand.

Het licht.

De stilte.

Jij.

De wind komt van de zee.

Hij is zacht vanavond.

Hij raakt je wang.

Hij speelt met je haar.

Het is een kleine aanraking.

Vriendelijk.

Rustig.

Je ademt de lucht in.

De lucht ruikt naar zout.

Naar water.

Naar ver.

Je ademt uit.

Zacht en warm.

Je ademt nog een keer.

En nog een keer.

Je adem is rustig.

Je adem is traag.

Je adem is van jou.

Je stopt even.

Je staat stil.

Je voelt het zand onder je voeten.

Je voelt de deken op je schouders.

Je voelt de lucht om je heen.

Alles is zacht.

Alles is stil.

De maan kijkt naar je.

Hij zegt niets.

Hij hoeft niets te zeggen.

Zijn licht is genoeg.

Het licht valt op het water.

Op het zand.

Op jou.

Je bent hier.

Gewoon.

De golven ruisen.

Zacht.

Eentonig.

Als een liedje dat je kent.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

De rust is in je buik.

In je benen.

In je voeten.

Het zand is koel.

De deken is warm.

De nacht is stil.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Alles is goed zoals het is.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Zacht.

Het lichtpuntje in de verte blijft.

Klein en stil.

De maan blijft.

De zee blijft.

En jij mag blijven.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed.

Je voelt je voeten weer bewegen.

Heel langzaam.

Het zand geeft mee.

Bij elke stap.

Zacht en koel.

Je hoeft niet te kijken waar je loopt.

Je voeten weten het.

Ze vinden hun eigen weg.

Langs de rand van het water.

Waar het nat is.

Waar het glimt in het maanlicht.

De zee ademt naast je.

In.

Uit.

In.

Uit.

Hetzelfde ritme als jij.

Je ademt mee.

Zonder erover na te denken.

Je buik gaat zacht op en neer.

De deken beweegt mee.

Een klein beetje.

Net genoeg om te voelen dat hij er is.

Warm en zacht op je schouders.

In de verte brandt nog steeds dat kleine licht.

Het knippert niet.

Het blijft gewoon.

Stil.

Als een klein puntje rust aan de horizon.

Je kijkt ernaar.

Even maar.

Dan kijk je weer naar het zand.

Naar je voeten.

Naar het licht dat op het natte zand valt.

Het lijkt wel een pad.

Een zilveren pad.

Dat met je meegaat.

Je hoort de golven.

Ze ruisen.

Ze zeggen niets.

Ze hoeven niets te zeggen.

Het geluid is genoeg.

Het is als een liedje dat je kent.

Van heel lang geleden.

Zonder woorden.

Alleen klank.

Zacht en eentonig.

Je luistert.

Je ademt.

Je bent hier.

De lucht is koel op je wangen.

Een klein beetje zout.

Je proeft het bijna.

Op je lippen.

Heel even.

Dan verdwijnt het weer.

De deken is warm.

De nacht is stil.

De maan kijkt nog steeds.

Hij zegt niets.

Hij hoeft niets te zeggen.

Zijn licht valt op het water.

Op het zand.

Op jou.

Je stopt even.

Je staat stil.

Je voelt het zand onder je voeten.

Je voelt de deken op je schouders.

Je voelt de lucht om je heen.

Alles is zacht.

Alles is stil.

De rust is in je buik.

In je benen.

In je voeten.

Het zand is koel.

De deken is warm.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Een golf komt dichterbij.

Heel even.

Dan trekt hij zich weer terug.

Het water glimt.

Het zand glimt.

Alles glimt een beetje.

In het licht van de maan.

Je kijkt naar je voeten.

Je ziet je eigen sporen.

Kleine kuiltjes in het zand.

Ze vullen zich met water.

Heel langzaam.

Dan verdwijnen ze weer.

Zacht en stil.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Zacht.

Het lichtpuntje in de verte blijft.

Klein en stil.

De maan blijft.

De zee blijft.

En jij mag blijven.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed zoals het is.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De zee doet hetzelfde.

Naast je.

Met je mee.

Je voelt de deken.

Je voelt het zand.

Je voelt de lucht.

Alles is zacht.

Alles is stil.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

Je voelt de lucht langs je wangen.

Koel en zacht.

De lucht ruikt naar zout en water.

Naar ver.

Naar rust.

Je ademt het rustig in.

Je ademt het langzaam uit.

De lucht blijft om je heen.

Als een dunne deken.

Bijna onzichtbaar.

Maar je voelt hem wel.

Boven je is de hemel wijd en open.

De maan staat stil aan de rand.

Hij geeft licht.

Geen fel licht.

Een zacht licht.

Het valt op het water.

Het valt op het zand.

Het valt op jouw handen.

Je handen zijn rustig.

Ze hangen naast je.

Ze hoeven niets te doen.

Je loopt verder langs de rand van het water.

Je voeten raken het natte zand.

Het is koel.

Het is glad.

Bij elke stap voel je de grond.

Zacht en stevig tegelijk.

Het zand geeft mee.

Een klein beetje.

Dan draagt het je weer.

Je voelt je voeten.

Je voelt je benen.

Ze bewegen langzaam.

Ze weten de weg.

Je hoeft niet na te denken.

In de verte blijft het lichtpuntje.

Klein en stil.

Het knippert niet.

Het wacht gewoon.

Alsof het daar altijd al was.

Alsof het daar altijd zal blijven.

Je hoeft er niet heen.

Je hoeft alleen maar te weten dat het er is.

Dat is genoeg.

Dat is rustig.

Een golf komt dichterbij.

Heel even.

Dan trekt hij zich weer terug.

Het water glimt.

Het zand glimt.

Alles glimt een beetje.

In het licht van de maan.

Je kijkt naar de zee.

De zee kijkt niet terug.

Ze is er gewoon.

Ze ademt mee.

In.

Uit.

In.

Uit.

Net als jij.

Je voelt de deken weer.

Warm om je schouders.

Zacht om je heen.

De deken is warm.

Het zand is koel.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft nergens heen.

Je mag hier lopen.

Langzaam.

Zacht.

Stap voor stap.

Ergens boven je vliegt een vogel.

Stil.

Zonder geluid.

Hij verdwijnt in het donker.

Dan is de lucht weer leeg.

Alleen de maan blijft.

Alleen de sterren blijven.

Ze zijn klein en stil.

Ze vragen niets.

Ze geven alleen licht.

Een heel klein beetje.

Dat is genoeg.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De zee doet hetzelfde.

Naast je.

Met je mee.

Je voelt de lucht.

Je voelt het zand.

Je voelt de deken.

Alles is zacht.

Alles is stil.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

Je loopt nog een paar stappen.

Dan sta je stil.

Niet omdat het moet.

Gewoon omdat het kan.

Je kijkt naar je voeten.

Je ziet je sporen.

Kleine kuiltjes in het zand.

Ze vullen zich met water.

Heel langzaam.

Dan verdwijnen ze weer.

Zacht en stil.

Net als de vorige.

Net als alle sporen.

Het zand wordt weer vlak.

Rustig.

Klaar voor de volgende stap.

Je kijkt weer naar de zee.

De golven komen en gaan.

Ze zijn nooit haastig.

Ze zijn nooit moe.

Ze doen gewoon wat ze doen.

Al heel lang.

Al heel veel nachten.

En jij mag erbij zijn.

Heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Alles is goed zoals het is.

De maan blijft.

De zee blijft.

Het lichtpuntje blijft.

En jij mag blijven.

Nog heel even.

Of langer.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De nacht is zacht.

De nacht is stil.

Je bent hier.

Gewoon.

Je hoeft niets te doen.

Je mag gewoon staan.

Je voeten in het zand.

Het zand is koel.

Het water is koel.

De lucht is zacht.

Je voelt de wind langs je wangen.

Heel licht.

Bijna niets.

Net genoeg om te weten dat je hier bent.

Hier op deze plek.

Bij de zee.

Onder de maan.

De maan staat hoog.

Hij is rond en stil.

Hij geeft licht zonder geluid.

Zijn licht valt op het water.

Het water wordt zilver.

Het zand wordt zilver.

Je handen worden zilver.

Alles wordt een beetje zachter.

Een beetje stiller.

Je kijkt naar je handen.

Ze zijn rustig.

Ze doen niets.

Ze hoeven niets te doen.

Dat is goed.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Je voeten raken het zand.

Het zand geeft mee.

Zacht.

Bij elke stap.

Je hoort je eigen adem.

In.

Uit.

In.

Uit.

Het ritme is rustig.

Het is jouw ritme.

Het past bij de zee.

Bij de golven.

Bij de nacht.

De zee ademt ook.

De golven komen.

De golven gaan.

Ze zijn nooit haastig.

Ze zijn nooit moe.

Ze doen gewoon wat ze doen.

Al heel lang.

Al heel veel nachten.

En jij loopt mee.

Niet met de golven.

Maar met je eigen stap.

Rustig.

Zacht.

Jij bent hier.

Gewoon.

Aan de rand van het water zie je kleine schelpjes.

Ze liggen tussen het zand.

Ze zijn heel klein.

Ze glinsteren een beetje in het maanlicht.

Je kijkt ernaar.

Je raakt ze niet aan.

Je laat ze liggen.

Ze horen hier.

Ze zijn hier thuis.

Net als jij.

Heel even.

Of langer.

Verderop staat een paaltje.

Het is oud en grijs.

Het staat al jaren in de wind.

Het staat stil.

Het wacht.

Het doet niets anders dan staan.

Je loopt erlangs.

Je voelt het hout niet.

Je ziet alleen zijn vorm.

Zijn schaduw op het zand.

Zacht en stil.

Net als alles hier.

De lucht boven je is wijd.

Er zijn geen wolken.

Alleen de maan.

En een paar sterren.

Heel klein.

Heel ver.

Ze knipperen niet.

Ze zijn gewoon.

Ze zijn stil.

Ze zijn er.

Net als jij.

Net als de zee.

Net als de nacht.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De lucht is koel.

De lucht is zacht.

Je voelt je longen vol met rust.

Vol met nacht.

Vol met stilte.

Het is goed.

Alles is goed zoals het is.

Je loopt nog een paar stappen.

Dan sta je weer stil.

Niet omdat het moet.

Gewoon omdat het kan.

Je kijkt naar de horizon.

De lijn tussen zee en lucht is zacht.

Hij is niet scherp.

Hij is wazig.

Hij is stil.

Net als jij.

De maan blijft.

De zee blijft.

Het lichtpuntje blijft.

En jij mag blijven.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Je voelt de deken van de nacht om je heen.

Zacht en warm.

Hij houdt je vast.

Hij laat je los.

Hij is er gewoon.

Net als de zee.

Net als de maan.

Net als jij.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De nacht is zacht.

De nacht is stil.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

Je voelt je voeten op het pad.

Het pad is zacht.

Het zand is koel.

Het beweegt een beetje onder je schoenen.

Heel langzaam.

Heel stil.

Je loopt verder.

Niet snel.

Niet langzaam.

Gewoon rustig.

De maan loopt met je mee.

Hij is hoog en helder.

Hij geeft licht.

Zacht licht.

Het licht valt op het water.

Het water glinstert.

Kleine puntjes licht.

Ze dansen niet.

Ze wiegen.

Heel zachtjes.

Je hoort de zee.

Ze ademt.

In en uit.

In en uit.

Het geluid is diep.

Het is warm.

Het is bijna een stem.

Een stem zonder woorden.

Ze zegt niets.

Ze is er gewoon.

Je kijkt naar links.

De duinen zijn donker.

Ze zijn zacht.

Ze lijken te slapen.

Hun lijnen zijn rond.

Niet scherp.

Niet hard.

Ze liggen daar.

Stil.

Net als jij.

Je kijkt naar rechts.

De zee is groot.

Ze strekt zich uit.

Ver weg.

Heel ver weg.

De horizon is nog steeds wazig.

Zee en lucht raken elkaar.

Ze raken elkaar zacht aan.

Ze zijn vrienden.

Ze zijn stil.

Net als jij.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De lucht is koel.

De lucht is zacht.

Je voelt je longen vol met rust.

Vol met nacht.

Vol met stilte.

Het is goed.

Alles is goed zoals het is.

Je loopt nog een paar stappen.

Je voeten raken het zand.

Het zand is koel.

Het is zacht.

Het is stil.

Net als de nacht.

Net als de zee.

Net als jij.

De maan blijft.

De zee blijft.

Het lichtpuntje blijft.

En jij mag blijven.

Nog heel even.

Of langer.

Dat maakt niet uit.

De tijd is van jou.

De rust is van jou.

Je voelt de deken van de nacht om je heen.

Zacht en warm.

Hij houdt je vast.

Hij laat je los.

Hij is er gewoon.

Net als de zee.

Net als de maan.

Net als jij.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De nacht is zacht.

De nacht is stil.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

Er is een klein geluid.

Een golf die breekt.

Heel zacht.

Heel ver weg.

Dan weer stilte.

De stilte is niet leeg.

De stilte is vol.

Vol met kleine dingen.

Een korrel zand die valt.

Een briesje dat langs je wang gaat.

Een ster die heel even knippert.

Heel even maar.

Je kijkt omhoog.

De sterren zijn er.

Veel sterren.

Ze zijn klein.

Ze zijn stil.

Ze zijn er.

Net als jij.

Net als de zee.

Net als de nacht.

Je voelt je adem.

Hij gaat vanzelf.

In en uit.

In en uit.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zijn.

Je bent er gewoon.

Dat is genoeg.

Dat is altijd genoeg.

De maan schuift een klein stukje verder.

Langzaam.

Heel langzaam.

Hij verliest je niet uit het oog.

Hij is geduldig.

Hij is stil.

Hij is er gewoon.

Je loopt weer.

Een paar stappen.

Het pad is zacht.

Het zand is koel.

De zee ademt naast je.

In en uit.

In en uit.

Je voelt je voeten.

Je voelt je benen.

Ze bewegen rustig.

Ze weten de weg.

Ze hoeven niet na te denken.

De lucht ruikt naar zout.

Naar water.

Naar nacht.

Het is een oude geur.

Een vertrouwde geur.

Hij komt van ver.

Hij blijft bij je.

Hij is zacht.

Net als de deken.

Net als de nacht.

Net als jij.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De nacht is zacht.

De nacht is stil.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

De zee blijft bij je.

Ze loopt mee.

Ze zegt niets.

Ze hoeft niets te zeggen.

Haar adem is genoeg.

In en uit.

In en uit.

Je hoort het water tegen het zand.

Een zacht geluid.

Een traag geluid.

Het komt en het gaat.

Net als je adem.

Net als de nacht.

Boven je is de lucht wijd.

De sterren zijn klein en stil.

Ze knipperen niet.

Ze blijven gewoon.

Ze zijn er al heel lang.

Ze weten niets van haast.

Ze weten niets van moeten.

Ze zijn er.

Dat is alles.

Dat is genoeg.

Je voelt de wind langs je wangen.

Hij is koel.

Hij is zacht.

Hij raakt je haar aan.

Hij raakt je handen aan.

Hij vraagt niets.

Hij neemt niets.

Hij is er gewoon.

Net als de maan.

Net als de zee.

Net als jij.

Je loopt verder.

Het zand geeft mee onder je voeten.

Het is koel en zacht.

Bij elke stap voel je het.

Je voeten weten de weg.

Ze hoeven niet te kijken.

Ze gaan vanzelf.

Langzaam.

Rustig.

Stap voor stap.

Aan je linkerhand glinstert het water.

Het licht van de maan valt erop.

Kleine golfjes.

Kleine strepen licht.

Ze bewegen mee met de zee.

Ze komen en ze gaan.

Net als je adem.

Net als de nacht.

Net als alles hier.

Je kijkt naar de horizon.

Daar waar de zee de lucht raakt.

Het is moeilijk te zien waar het ene ophoudt en het andere begint.

Alles vloeit in elkaar.

Zacht.

Stil.

Zonder grens.

Zonder haast.

Je ademt in.

De lucht is koel.

Hij vult je longen.

Langzaam.

Rustig.

Je ademt uit.

De lucht gaat weer weg.

Zacht.

Stil.

Je hoeft niets te doen.

Je ademt vanzelf.

In en uit.

In en uit.

De deken van de nacht ligt over alles heen.

Over de zee.

Over het zand.

Over de sterren.

Over jou.

Hij is zacht.

Hij is warm.

Hij houdt je vast.

Niet te strak.

Net genoeg.

Net als de maan.

Net als de zee.

Net als je adem.

Je voelt je benen.

Ze bewegen rustig.

Ze dragen je.

Ze weten de weg.

Je voelt je armen.

Ze hangen ontspannen naast je.

Je voelt je handen.

Ze zijn koel.

Ze zijn stil.

Ze hoeven niets vast te houden.

Ze hoeven niets te doen.

Er is geen haast.

Er is geen tijd.

Alleen dit moment.

Alleen deze stap.

Alleen deze adem.

In en uit.

In en uit.

De nacht is geduldig.

De zee is geduldig.

Ze wachten op je.

Ze lopen met je mee.

Ze laten je niet alleen.

Je hoort een zacht geluid in de verte.

Misschien een vogel.

Misschien de wind.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is ver weg.

Het stoort niet.

Het hoort erbij.

Net als alles hier.

Net als jij.

Je loopt nog een paar stappen.

Het pad buigt een klein beetje.

Naar links.

Naar de zee toe.

Je volgt het.

Rustig.

Langzaam.

Het zand wordt iets vochtiger.

Iets koeler.

Je voelt het door je schoenen heen.

Een klein verschil.

Een zacht verschil.

De maan staat nu iets hoger.

Hij schijnt op het water.

Een lang pad van licht.

Van jou naar de horizon.

Het is stil.

Het is vredig.

Je kijkt ernaar.

Je ademt in.

Je ademt uit.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

Je loopt verder over het zachte pad.

Het licht van de maan valt naast je op het zand.

Stukjes schelp glinsteren heel even.

Dan doven ze weer.

Kleine lichtpuntjes.

Kleine sterretjes op de grond.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De lucht is koel en zacht.

Hij ruikt naar zout en water.

Naar nat zand.

Naar verre ruimte.

Je voelt het in je longen.

Rustig.

Diep.

In en uit.

De zee is nu dichterbij.

Je hoort de golven.

Ze komen en ze gaan.

Ze komen en ze gaan.

Altijd hetzelfde ritme.

Nooit haast.

Nooit stil.

Gewoon daar.

Gewoon bij je.

Je kijkt naar het pad van licht op het water.

Het beweegt een beetje.

Zachtjes.

Heen en weer.

Net als je adem.

Net als je voetstappen.

Alles beweegt mee.

Alles is rustig.

Er is geen haast.

Er is geen tijd.

Alleen dit moment.

Alleen deze stap.

Alleen deze adem.

In en uit.

In en uit.

De nacht is geduldig.

De zee is geduldig.

Ze wachten op je.

Ze lopen met je mee.

Ze laten je niet alleen.

Je ziet iets verderop.

Een klein stuk hout op het zand.

Grijs van het water.

Glad van de tijd.

Het ligt daar gewoon.

Het hoeft niets.

Het is genoeg.

Net als jij.

Je loopt er langzaam langs.

Je voelt de wind heel zacht langs je wangen.

Het is bijna geen wind.

Meer een aanraking.

Een zachte hand.

Die je even groet.

En dan weer weg is.

De maan schijnt nu op je schouders.

Je voelt de warmte niet.

Maar je voelt het licht.

Het is anders dan de zon.

Stiller.

Vriendelijker.

Het vraagt niets van je.

Het is er gewoon.

Je hoort weer een zacht geluid in de verte.

Misschien een vogel.

Misschien de wind.

Het maakt niet uit.

Het is zacht.

Het is ver weg.

Het stoort niet.

Het hoort erbij.

Net als alles hier.

Net als jij.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De lucht is nog steeds koel.

Nog steeds zacht.

Je voelt je voeten op het zand.

De ene stap.

Dan de andere.

Langzaam.

Rustig.

Het pad blijft vlak.

Het blijft zacht.

In de verte zie je een klein lichtje.

Misschien een vuurtoren.

Misschien een ster die laag staat.

Het knippert niet.

Het blijft gewoon.

Een klein puntje van rust.

Aan de rand van de nacht.

Je kijkt ernaar.

Je voelt je adem gaan.

In en uit.

In en uit.

Je voelt je hart.

Rustig.

Regelmatig.

Het klopt zachtjes.

Het hoeft niets te doen.

Het doet het al.

De zee blijft ademen.

De golven blijven komen.

Ze spoelen zacht over het zand.

Dan trekken ze terug.

Dan komen ze weer.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Je loopt nog een paar stappen.

Het zand wordt iets zachter.

Iets voller.

Je voeten zakken er een klein beetje in.

Het voelt warm aan.

Bijna als een deken.

Een deken van zand.

Van aarde.

Van rust.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

De nacht is geduldig.

De zee is geduldig.

Ze wachten op je.

Ze lopen met je mee.

Ze laten je niet alleen.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

De maan staat stil aan de hemel.

Het pad van licht blijft liggen.

Van jou naar de horizon.

Het is stil.

Het is vredig.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Je voelt de zachte wind langs je wangen.

Hij is koel, maar niet koud.

Hij ruikt naar zout en water.

Naar verre landen.

Naar ruimte.

Je staat even stil.

Je luistert.

De zee klinkt als een langzame ademhaling.

In en uit.

In en uit.

De golven raken het strand.

Ze trekken terug.

Ze komen weer.

Er is geen haast.

Er is geen einde.

Boven je hoofd is de lucht donkerblauw.

Bijna zwart.

De maan geeft een zacht licht.

Het valt op het water.

Het maakt een pad van glinsterende strepen.

Kleine lichtjes die dansen op de golven.

Ze bewegen mee met het water.

Zachtjes.

Rustig.

Je kijkt naar de horizon.

Daar waar de zee en de lucht samenkomen.

Het is een dunne lijn.

Vaag en zacht.

Alsof de nacht ze bij elkaar houdt.

Alsof er geen grens is.

Alleen ruimte.

Alleen rust.

Je voelt de deken van zand onder je voeten.

Nog steeds warm.

Nog steeds zacht.

Je voeten zakken er een beetje in.

Het voelt veilig.

Als een plek waar je even mag blijven staan.

Waar niets hoeft.

Je haalt adem.

Diep en langzaam.

De lucht vult je longen.

Koel en schoon.

Je blaast zachtjes uit.

Je schouders zakken een beetje.

Ze worden lichter.

Alles wordt een beetje lichter.

De zee blijft ademen.

De golven blijven komen.

Ze spoelen over het zand.

Ze trekken terug.

Ze komen weer.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Je hart klopt zachtjes mee.

Rustig.

Regelmatig.

Het hoeft niets te doen.

Het doet het al.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Je voeten tillen zich zachtjes op.

Ze zakken weer neer in het zand.

Stap voor stap.

Het zand dempt je voetstappen.

Het is stil om je heen.

Alleen de zee.

Alleen de wind.

Alleen je adem.

In de verte zie je een klein lichtje.

Het knippert af en toe.

Misschien een vuurtoren.

Misschien een ster die laag staat.

Het maakt niet uit.

Het is ver weg.

Het is rustig.

Het hoort bij de nacht.

Je kijkt weer naar het pad van licht op het water.

Het blijft liggen.

Van jou naar de horizon.

Het is er nog steeds.

Zacht en stil.

Alsof het op je wacht.

Alsof het met je meeloopt.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

De maan staat stil aan de hemel.

De sterren twinkelen zachtjes.

Kleine puntjes van licht.

Ze zijn ver weg.

Maar ze zijn er.

Altijd.

Je voelt de wind weer.

Hij strijkt langs je haar.

Langs je nek.

Het is een zachte aanraking.

Bijna als een hand.

Bijna als een groet.

Je glimlacht heel even.

Zachtjes.

Voor jezelf.

Je bent hier.

Gewoon.

Nog heel even.

Of langer.

De nacht is geduldig.

De zee is geduldig.

Ze wachten op je.

Ze lopen met je mee.

Ze laten je niet alleen.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

De deken van zand onder je voeten.

De deken van lucht om je heen.

De deken van rust in jezelf.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

De zee blijft ademen.

De golven blijven komen.

Ze spoelen zacht over het zand.

Dan trekken ze terug.

Dan komen ze weer.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Je loopt nog een paar stappen.

Het zand wordt iets zachter.

Iets voller.

Je voeten zakken er een klein beetje in.

Het voelt warm aan.

Bijna als een deken.

Een deken van zand.

Van aarde.

Van rust.

Je kijkt naar de horizon.

De dunne lijn tussen zee en lucht.

Hij is er nog steeds.

Vaag en zacht.

De maan geeft licht.

Het pad op het water blijft liggen.

Van jou naar de verte.

Het is stil.

Het is vredig.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Je staat even stil.

Het zand onder je voeten is koel en zacht.

Je voelt de korrels heel licht bewegen.

Ze geven mee.

Ze zijn geduldig.

Net als de zee.

Net als de lucht.

Net als jij.

De wind komt van ver.

Hij ruikt naar zout en water.

Hij raakt je wangen.

Hij raakt je haren.

Hij gaat weer verder.

De wind heeft geen haast.

Hij wandelt met je mee.

Hij fluistert zacht.

Je hoeft niet te luisteren.

Je mag gewoon voelen.

Boven je is de lucht wijd en open.

De maan staat rustig aan de hemel.

Ze geeft geen fel licht.

Alleen een zacht schijnsel.

Genoeg om te zien waar je loopt.

Genoeg om de lijn van de horizon te vinden.

Die dunne lijn tussen zee en lucht.

Hij is er nog steeds.

Hij blijft daar.

Rustig en stil.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

De lucht is koel en fris.

Hij vult je longen langzaam.

Je voelt je adem gaan.

Zacht en gelijkmatig.

Net als de golven.

Ze komen en ze gaan.

Ze spoelen over het zand.

Dan trekken ze terug.

Dan komen ze weer.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Je voeten zakken een klein beetje in het zand.

Het voelt warm aan.

Bijna als een deken.

Een deken van zand.

Een deken van aarde.

Een deken van rust.

Aan je linkerhand ligt de zee.

Ze is donker en stil.

Af en toe glinstert er licht op het water.

Kleine puntjes van de maan.

Ze dansen zacht op de golven.

Dan verdwijnen ze weer.

Dan komen ze terug.

Het is een rustig spel.

Zonder haast.

Zonder geluid.

Aan je rechterhand ligt het strand.

Het is leeg en wijd.

Hier en daar ligt een schelp.

Een stukje hout.

Een veertje van een vogel.

Ze liggen er rustig bij.

Ze wachten op de ochtend.

Op het licht.

Op de warmte.

Maar nu is het nog nacht.

Nu is het nog stil.

En dat is goed.

Je kijkt om je heen.

De wereld is zacht en donker.

De maan geeft licht.

De sterren zijn vaag te zien.

Kleine puntjes aan de hemel.

Ze twinkelen niet.

Ze zijn rustig.

Ze blijven staan.

Net als de maan.

Net als de zee.

Net als jij.

Je voelt de deken van de nacht om je heen.

De deken van lucht.

De deken van zand.

De deken van rust in jezelf.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

De zee blijft ademen.

De golven blijven komen.

Ze spoelen zacht over het zand.

Dan trekken ze terug.

Dan komen ze weer.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Je loopt nog een paar stappen.

Het zand wordt iets zachter.

Iets voller.

Je voeten zakken er een klein beetje in.

Het voelt warm aan.

Bijna als een deken.

Een deken van zand.

Van aarde.

Van rust.

De horizon blijft voor je liggen.

Vaag en zacht.

De maan geeft licht.

Het pad op het water blijft liggen.

Van jou naar de verte.

Het is stil.

Het is vredig.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Je voelt het zand onder je voeten.

Het is koel aan de oppervlakte.

En zacht eronder.

Bij elke stap een klein beetje meegeven.

Je voeten weten de weg.

Ze hoeven niet na te denken.

Ze gaan gewoon.

Rustig.

Traag.

Stap voor stap.

De zee blijft naast je.

Soms hoor je een golf iets dichterbij komen.

Dan weer iets verder weg.

Het ritme is altijd hetzelfde.

Komen en gaan.

Komen en gaan.

Je ademt mee zonder er iets voor te doen.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

De zee doet hetzelfde.

De lucht doet hetzelfde.

Alles ademt hier.

Boven je is de hemel nog steeds open.

De maan staat rustig aan de rand.

Hij geeft geen fel licht.

Alleen een zacht schijnsel.

Over het water.

Over het zand.

Over jouw handen.

Je handen zijn ontspannen.

Ze hangen naast je.

Ze hoeven niets vast te houden.

Niet nu.

Niet hier.

Je kijkt naar de verte.

De horizon is vaag.

Zacht als een lijn die iemand met een vinger heeft getekend.

En daarna weer heeft uitgewreven.

Er is geen haast in de verte.

Alles blijft liggen.

Alles blijft staan.

De maan blijft staan.

De sterren blijven staan.

De zee blijft ademen.

Net als jij.

Je loopt nog een paar stappen.

Het zand voelt nu warmer.

Alsof het de warmte van de dag heeft bewaard.

Een klein beetje.

Net genoeg.

Het voelt als een deken.

Een deken van zand.

Van aarde.

Van rust.

Je voeten zakken er zacht in weg.

Bij elke stap een klein beetje dieper.

Dan weer omhoog.

Dan weer verder.

De wind is bijna weg.

Alleen een heel klein briesje.

Het raakt je wang.

Zacht.

Even.

Dan is het weer weg.

Het ruikt naar zout.

Naar water.

Naar lucht.

Je ruikt het zonder er iets voor te doen.

Het komt vanzelf.

Net als de rust.

Net als de nacht.

Je hoort je eigen adem.

Zacht en regelmatig.

In en uit.

In en uit.

Het klinkt vertrouwd.

Als een vriend die naast je loopt.

Zonder iets te zeggen.

Alleen samen lopen.

Alleen samen zijn.

Dat is genoeg.

De golven spoelen weer over het zand.

Ze trekken terug.

Ze laten kleine lijntjes achter.

Dunne strepen in het zand.

Ze glinsteren een beetje in het maanlicht.

Dan komen de golven weer.

En wissen de strepen uit.

En tekenen nieuwe.

Altijd hetzelfde.

Altijd rustig.

Altijd zacht.

Je kijkt naar je voetstappen achter je.

Een rij kleine kuiltjes in het zand.

Ze verdwijnen langzaam.

De zee neemt ze mee.

Stukje voor stukje.

Je hoeft ze niet te bewaren.

Je hoeft niets te bewaren.

Alles mag blijven zoals het is.

Alles mag gaan zoals het gaat.

De maan staat nog steeds aan de hemel.

Rustig.

Stil.

Hij schijnt over het pad op het water.

Het pad blijft liggen.

Van jou naar de verte.

Het is er nog.

Het gaat niet weg.

Net als de rust in jezelf.

Die blijft ook.

Zacht en stil.

Onder je adem.

Onder je stappen.

Onder alles.

Je loopt verder.

Langzaam.

Het zand draagt je.

De nacht dekt je toe.

De zee ademt naast je.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Je voelt de wind heel zacht langs je wangen gaan.

Hij is koel en vriendelijk.

Hij ruikt naar zout en water.

Naar verre landen achter de horizon.

Je ademt hem rustig in.

En weer uit.

De lucht vult je longen.

Kalm en traag.

Net als de zee naast je.

Net als de nacht om je heen.

Af en toe hoor je een vogel.

Ver weg.

Een enkele roep.

Dan is het weer stil.

Alleen het water blijft zachtjes praten.

Hetzelfde geluid.

Steeds opnieuw.

Golf na golf.

Adem na adem.

Je hoeft het niet te tellen.

Je hoeft niets te volgen.

Het mag gewoon doorgaan.

Zacht en rustig.

Altijd hetzelfde.

Altijd veilig.

Boven je is de hemel wijd en open.

De maan staat er stil bij.

Hij schijnt over het water.

Het pad van licht blijft liggen.

Van jou naar de verte.

Het beweegt een beetje mee met de golven.

Licht dat danst.

Heel langzaam.

Heel zacht.

Je kijkt ernaar en laat je ogen rusten.

Er is niets dat je hoeft te zoeken.

Het licht is er al.

Het blijft bij je.

Net als de rust in jezelf.

Die blijft ook.

Stil en warm.

Onder je adem.

Onder je stappen.

Onder alles.

Je loopt verder langs de rand van het water.

Je voeten zakken zacht weg in het natte zand.

Bij elke stap een klein geluid.

Dan weer stilte.

Dan weer een stap.

Het ritme is rustig.

Het draagt je voort.

Je hoeft niet te denken aan waar je heen gaat.

Het pad ligt voor je.

Het is er al.

Het wacht geduldig.

Net als de nacht.

Net als de zee.

In de verte zie je een paar duinen.

Ze liggen donker en zacht tegen de hemel.

Een lange lijn.

Rustig en stil.

Boven de duinen is de lucht nog lichter.

Een bleekblauw waas.

De maan schijnt eroverheen.

Alles is zacht van kleur.

Niets is scherp.

Niets is haastig.

Alles mag blijven zoals het is.

Alles mag gaan zoals het gaat.

Je stopt even.

Je laat je schouders zakken.

Je voelt de deken van de nacht om je heen.

Warm en stil.

De wind strijkt langs je haar.

Zachtjes.

Als een hand die je even aanraakt.

Dan weer loslaat.

Je ademt diep in.

En langzaam uit.

De rust komt vanzelf.

Je hoeft er niets voor te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Voor je ligt het water nog steeds te ademen.

Golf na golf.

Zacht en rustig.

Achter je verdwijnen je voetstappen langzaam.

De zee neemt ze mee.

Stukje voor stukje.

Je hoeft ze niet te bewaren.

Je hoeft niets te bewaren.

Het is goed zo.

Het is goed zoals het is.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Het zand draagt je.

De maan schijnt boven je.

De zee ademt naast je.

De nacht dekt je toe.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

De rust blijft bij je.

Zacht en stil.

Onder je adem.

Onder je stappen.

Onder alles.

De rust blijft bij je.

Zacht en stil.

Onder je adem.

Onder je stappen.

Onder alles.

Je loopt verder langs de rand van het water.

Het zand is koel onder je voeten.

Soms veert het mee.

Soms is het stevig.

Je voelt elke stap.

Langzaam.

Rustig.

De maan loopt met je mee.

Hoog en helder.

Hij tekent een pad van licht op het water.

Een pad dat zachtjes beweegt.

Heen en weer.

Met de golven mee.

Je kijkt naar de lucht.

De sterren zijn stil.

Ze twinkelen niet eens.

Ze zijn er gewoon.

Rustig en oud.

Je ademt in.

En uit.

De lucht is koel en schoon.

Hij ruikt naar zout en water.

Naar ver.

Naar niets bijzonders.

En dat is precies goed.

Aan de horizon zie je een klein lichtje.

Ver weg.

Een stipje maar.

Misschien een schip.

Misschien een vuurtoren.

Het maakt niet uit.

Het is daar.

Stil en klein.

Je hoeft er niet naar te kijken.

Je mag gewoon weten dat het er is.

Je stopt even.

Je laat je handen langs je lichaam hangen.

Los en zwaar.

Je voelt de wind weer.

Hij komt van links.

Zachtjes.

Hij strijkt langs je wangen.

Langs je nek.

Hij speelt even met je haar.

Dan gaat hij verder.

Over het zand.

Over het water.

De wind heeft geen haast.

Net als jij.

Je ademt diep in.

En langzaam uit.

De deken van de nacht ligt nog steeds om je heen.

Warm en stil.

Je voelt hem op je schouders.

Op je armen.

Hij houdt je vast.

Zachtjes.

Zonder te trekken.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Voor je ademt het water nog steeds.

Golf na golf.

Zacht en rustig.

Het ritme is hetzelfde.

Het is altijd hetzelfde.

En toch lijkt het elke keer nieuw.

Je kijkt ernaar.

Je luistert ernaar.

Het water vertelt geen verhaal.

Het hoeft niets te zeggen.

Het is er gewoon.

Net als jij.

Achter je verdwijnen je voetstappen.

Langzaam.

De zee neemt ze mee.

Stukje voor stukje.

Je hoeft ze niet te bewaren.

Je hoeft niets te bewaren.

Het is goed zo.

Het is goed zoals het is.

Je loopt weer verder.

Langzaam.

Het zand draagt je.

De maan schijnt boven je.

De zee ademt naast je.

De nacht dekt je toe.

Je hoeft niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

Af en toe hoor je een zacht geluid.

Een golf die breekt.

Een vogel ver weg.

Misschien een meeuw.

Misschien iets anders.

Het geluid komt en gaat.

Zonder haast.

Zonder spanning.

Het past bij de nacht.

Bij het water.

Bij jou.

Je voelt je voeten weer.

De grond onder je.

Stevig en zacht tegelijk.

Je voelt je adem.

In en uit.

In en uit.

Je voelt de wind.

Zacht en koel.

Alles is er.

Alles mag er zijn.

Je hoeft niets te veranderen.

Niets te doen.

Alleen dit.

Alleen hier.

Alleen nu.

De rust blijft bij je.

Zacht en stil.

Onder je adem.

Onder je stappen.

Onder alles.

Je loopt verder.

Langzaam.

De maan loopt met je mee.

Het water ademt naast je.

De nacht is stil.

En jij bent stil.

Samen met de nacht.

Samen met het water.

Samen met de maan.

Het is goed zo.

Het is goed zoals het is.

Je stappen worden zachter.

Trager.

Alsof de grond je voeten liefdevol vasthoudt.

Je hoeft niet meer zo ver.

Niet meer zo lang.

De maan blijft nog even.

Zacht boven je.

Ze kijkt met je mee.

Naar het water.

Naar de lucht.

Naar niets bijzonders.

De zee klinkt nu verder weg.

Een zacht ruisen.

Een adem die in en uit gaat.

In en uit.

Je hoort het zonder te luisteren.

Het is er gewoon.

Zoals de lucht om je heen.

Zoals de grond onder je.

Zoals je eigen adem.

Je voelt de deken van de nacht.

Zacht om je heen.

De wind wordt stiller.

De kou wordt zachter.

Alles wordt een beetje minder.

Een beetje stiller.

Een beetje dichterbij.

Je ogen worden zwaar.

Dat mag.

Dat is goed.

Je loopt nog een paar stappen.

Dan nog een paar.

De weg is zacht.

De nacht is zacht.

Je voeten weten de weg.

Ze hoeven niet na te denken.

Ze gaan gewoon.

Langzaam.

Rustig.

Naar huis.

Naar warmte.

Naar bed.

De maan blijft achter je.

Ze blijft nog even bij het water.

Bij de lucht.

Bij de stilte.

Je hoeft niet te kijken.

Je weet dat ze er is.

Achter je.

Boven je.

Om je heen.

Zacht en stil.

Je adem wordt rustiger.

Dieper.

In en uit.

In en uit.

Je voelt je schouders zakken.

Je voelt je handen los.

Je voelt je hele lichaam zwaar worden.

Zwaar en warm.

Zwaar en zacht.

Het is goed zo.

De geluiden om je heen worden kleiner.

Een golf.

Een vogel.

Een zucht van de wind.

Ze komen en gaan.

Zonder haast.

Zonder spanning.

Ze passen bij de nacht.

Bij jou.

Bij nu.

Je hoeft niets meer te doen.

Niets meer te horen.

Niets meer te zien.

Alleen maar zijn.

Hier.

In deze nacht.

In deze stilte.

In jezelf.

Het is genoeg.

Jij bent genoeg.

Zoals je bent.

Zoals je loopt.

Zoals je ademt.

De deken valt over je heen.

Zacht en warm.

Hij dekt je toe.

Van je voeten tot je hoofd.

Je voelt de warmte.

Je voelt de rust.

Je voelt de nacht.

Alles is goed.

Alles is stil.

Alles is zacht.

Je ogen sluiten zich langzaam.

De maan wordt een vlek.

Het water wordt een fluistering.

De nacht wordt een deken.

Je hoeft niets meer te doen.

Alleen maar liggen.

Alleen maar ademen.

Alleen maar zijn.

In en uit.

In en uit.

Je adem gaat vanzelf.

Je hart klopt zacht.

Je lichaam wordt zwaar.

Zwaar en warm.

Zwaar en stil.

De nacht houdt je vast.

Zacht en liefdevol.

Je hoeft niets te doen.

Niets te zeggen.

Niets te zijn.

Alleen maar hier.

Alleen maar nu.

De zee ademt nog.

Ver weg.

Heel ver weg.

De maan schijnt nog.

Zacht en stil.

De nacht is er nog.

Om je heen.

Onder je.

In je.

Het is goed zo.

Het is goed zoals het is.

Slaap maar.

Slaap maar zacht.

Slaap maar rustig.

De nacht is bij je.

De maan is bij je.

De zee is bij je.

Je bent niet alleen.

Je bent nooit alleen.

De nacht waakt over je.

Zacht en stil.

En jij slaapt.

Langzaam.

Zacht.

Diep.

0:00
Settings

Text

Mode

Audio

Pause