Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Een warme keuken in Utrecht terwijl het sneeuwt op de grachten

Fijn dat je er bent.

Volg de podcast, dan staat er elke vrijdagavond een nieuw verhaal voor je klaar.

Maak het je gemakkelijk.

We beginnen.

Je hand ligt nog op de deurknop.

De kou van buiten zit in je jas.

Binnen is het stil.

De keuken is warm.

Je doet de deur zacht achter je dicht.

Het geluid valt weg.

De sneeuw blijft buiten.

Hier is het rustig.

Je blijft even staan.

Je ademt in.

De lucht ruikt naar hout en iets zoets.

Iets warms.

Buiten valt de sneeuw op de grachten.

Zacht en langzaam.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op het water en verdwijnen.

Je kijkt naar het raam.

Het glas is een beetje beslagen.

Achter het glas is de wereld wit en stil.

De gracht ligt er kalm bij.

De boten liggen stil langs de kant.

De sneeuw bedekt de kades.

Alles wordt zachter.

Je doet je jas uit.

Je hangt hem aan de haak.

Je voelt de warmte van de keuken op je huid.

Het is een fijne warmte.

Een warmte die je langzaam omarmt.

Je loopt naar de tafel.

Je hand rust even op het hout.

Het hout is glad en warm.

De keuken is klein en veilig.

Er staat een kopje op tafel.

Er staat een pot thee.

De stoom stijgt langzaam op.

Je gaat zitten.

De stoel is zacht.

Je voelt je rug tegen de leuning.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Buiten sneeuwt het nog steeds.

De vlokken vallen zacht en traag.

Ze dansen in het licht van de straatlantaarn.

Het licht is geel en warm.

Het schijnt door de sneeuw heen.

Je kijkt naar je handen.

Ze zijn warm nu.

Je voelt de warmte langzaam omhoog kruipen.

Van je vingers naar je polsen.

Naar je armen.

De keuken is stil.

Je hoort alleen je adem.

En heel zacht het tikken van de sneeuw tegen het raam.

Tik.

Tik.

Tik.

Zacht en regelmatig.

Je schenkt thee in je kopje.

De thee is warm en licht.

De stoom krult omhoog.

Je houdt je handen om het kopje.

De warmte trekt in je vingers.

Je neemt een slok.

De thee is zacht en warm.

Hij glijdt langzaam naar binnen.

Je voelt de warmte in je keel.

In je borst.

Buiten is het wit en stil.

De gracht ligt er rustig bij.

De sneeuw valt zacht op de daken.

Op de bruggen.

Op de bomen langs het water.

Je kijkt naar buiten.

Je ziet de vlokken vallen.

Ze zijn klein en licht.

Ze dwarrelen langzaam naar beneden.

Ze landen op de vensterbank.

Ze blijven even liggen.

Dan smelten ze.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De keuken is warm.

De thee is warm.

Je voelt je rustig.

Je leunt achterover.

De stoel kraakt heel zacht.

Je voelt de deken om je schouders.

Je hebt hem niet gepakt.

Hij lag al op de stoel.

Hij is zacht en warm.

Je trekt de deken iets dichter om je heen.

De wol voelt zacht op je huid.

Je voelt de warmte van de deken.

De warmte van de thee.

De warmte van de keuken.

Buiten sneeuwt het nog steeds.

De vlokken vallen zacht en traag.

Ze dansen in het gele licht.

De gracht is stil.

De boten zijn stil.

De wereld is stil.

Je sluit je ogen even.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De keuken is warm.

De deken is zacht.

De thee is warm.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

Je opent je ogen weer.

De sneeuw valt nog steeds.

Zacht en langzaam.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Je neemt nog een slok thee.

De warmte glijdt naar binnen.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

Buiten is het wit.

Binnen is het warm.

De keuken is stil.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De gracht blijft stil.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Je kijkt naar buiten.

De gracht is wit.

De boten zijn wit.

De bruggen zijn wit.

Alles is zacht en stil.

De keuken is warm.

De deken is zacht.

De thee is warm.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

Je neemt nog een slok thee.

De warmte glijdt naar binnen.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

Op het aanrecht staat een kopje.

Het is je favoriete kopje.

Het is wit met een dun blauw randje.

Je kijkt er even naar.

Het staat stil.

Alles staat stil.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

De vlokken dansen in het gele licht.

Ze dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

De keuken is stil.

De deken is zacht.

De thee is warm.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

Je kijkt naar het licht.

Het licht is geel en warm.

Het komt van de lamp boven de tafel.

Het licht valt op de muur.

Het licht valt op de deken.

Het licht valt op jou.

Buiten is het wit.

Binnen is het warm.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De gracht blijft stil.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

De sneeuw valt nog steeds.

De vlokken zijn klein en wit.

Ze dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

De vensterbank is nat.

De vensterbank is stil.

Je kijkt naar de tafel.

Op de tafel staat de thee.

De thee is warm.

De thee is stil.

Je neemt nog een slok.

De warmte glijdt naar binnen.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

De keuken is warm.

De deken is zacht.

De thee is warm.

Je bent hier.

Je bent veilig.

Je bent thuis.

Buiten sneeuwt het nog steeds.

De vlokken vallen zacht en traag.

Ze dansen in het gele licht.

De gracht is stil.

De boten zijn stil.

De wereld is stil.

Je sluit je ogen even.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

Je opent je ogen weer.

De sneeuw valt nog steeds.

Zacht en langzaam.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Je neemt nog een slok thee.

De warmte glijdt naar binnen.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

Buiten is het wit.

Binnen is het warm.

De keuken is stil.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De gracht blijft stil.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De vlokken dansen in het gele licht van de straatlantaarn.

Ze dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Je kijkt naar buiten.

De gracht is wit.

De boten zijn wit.

De bruggen zijn wit.

Alles is zacht en stil.

De sneeuw dempt elk geluid.

De wereld lijkt even te rusten.

Je handen om de mok.

De mok is warm.

De thee is warm.

De keuken is warm.

Je voelt de warmte door je vingers trekken.

Langzaam.

Zacht.

Op het fornuis staat een pan.

Er komt een klein beetje stoom omhoog.

De stoom krult en verdwijnt.

Je kijkt ernaar.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De keuken ruikt naar thee.

Naar warm hout.

Naar sneeuw die smelt op de vensterbank.

Het is een zachte geur.

Een veilige geur.

Je neemt nog een slok.

De thee is niet te heet.

Niet te koud.

Precies goed.

De warmte glijdt naar binnen.

Ze zakt langzaam naar je buik.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

Traag en stil.

De gracht blijft wit.

De boten blijven stil.

De wereld blijft stil.

Je kijkt naar de tafel.

Er staat een schaal met appels.

Ze zijn rood en rond.

Ze glanzen zacht in het licht.

Je kijkt ernaar zonder iets te doen.

Gewoon kijken.

Gewoon zijn.

Naast de schaal ligt een boek.

Het is dicht.

Dat is goed.

Je hoeft niets te lezen.

Je hoeft niets te doen.

Je mag gewoon hier zijn.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

Jij bent hier.

Jij bent veilig.

Jij bent thuis.

Je kijkt weer naar het raam.

De vlokken dansen.

Ze dwarrelen.

Ze landen.

Ze smelten.

Het is een klein schouwspel.

Zacht en traag.

Je kunt er lang naar kijken.

Er is geen haast.

Er is geen tijd.

Alleen dit moment.

De mok in je handen is nog warm.

Je voelt de warmte door je vingers gaan.

Langzaam.

Zacht.

Je houdt de mok iets dichterbij.

Je ruikt de thee.

De geur is zacht en warm.

Buiten is het wit.

Binnen is het warm.

De keuken is stil.

De sneeuw valt.

De gracht is stil.

De wereld is stil.

Je sluit je ogen even.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

De stilte is veilig.

Je opent je ogen weer.

De sneeuw valt nog steeds.

Zacht en langzaam.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Je neemt nog een slok thee.

De warmte glijdt naar binnen.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

De keuken is stil.

De tafel is stil.

De appels zijn stil.

Alles is zacht.

Alles is rustig.

Alles is veilig.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De gracht blijft stil.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je handen liggen om het kopje.

Het kopje is warm.

Je vingers zijn warm.

De warmte blijft even hangen.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Zacht en langzaam.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Het water loopt in kleine druppels naar beneden.

Je kijkt naar de gracht.

De gracht is stil.

De boten liggen stil.

De bomen staan stil.

Alles is wit.

Alles is zacht.

Alles is rustig.

In de keuken is het warm.

De lucht is warm.

De tafel is warm.

De appels zijn stil.

De theepot staat rustig op tafel.

De stoelen staan rustig om de tafel.

De keuken is stil.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

De stilte is veilig.

Je neemt nog een slok thee.

De warmte glijdt naar binnen.

Langzaam.

Zacht.

Je voelt je rustig.

Je voelt je zacht.

Je voelt je warm.

Buiten dwarrelt de sneeuw.

De vlokken zijn klein.

De vlokken zijn licht.

Ze vallen zonder geluid.

Ze vallen zonder haast.

De wereld is stil.

De wereld is wit.

De wereld is zacht.

Je kijkt naar het licht.

Het licht is zacht.

Het licht is warm.

Het licht komt van de lamp boven de tafel.

Het licht valt op de appels.

Het licht valt op je handen.

Het licht valt op de tafel.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je adem is zacht.

Je adem is rustig.

Je adem is warm.

De keuken is stil.

De tafel is stil.

De appels zijn stil.

De theepot is stil.

Alles is zacht.

Alles is rustig.

Alles is veilig.

Je kijkt weer naar buiten.

De sneeuw valt nog steeds.

Zacht en traag.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de vensterbank.

Ze smelten langzaam.

Het water loopt in kleine druppels naar beneden.

De gracht is stil.

De boten liggen stil.

De bomen staan stil.

De wereld is wit.

De wereld is zacht.

De wereld is rustig.

Je voelt de warmte van het kopje.

Je voelt de warmte van de thee.

Je voelt de warmte van de keuken.

De warmte is zacht.

De warmte is rustig.

De warmte is veilig.

Je sluit je ogen even.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

De stilte is veilig.

Je opent je ogen weer.

De keuken is stil.

De tafel is stil.

De appels zijn stil.

De sneeuw valt.

De gracht is stil.

De wereld is stil.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

Buiten wordt de wereld stiller.

De gracht wordt stiller.

De boten worden stiller.

Alles wordt stiller.

Je kijkt naar de appels op de tafel.

Ze liggen daar rustig.

Rood en rond.

Ze bewegen niet.

Ze wachten.

Ze zijn geduldig.

De appels zijn stil.

De tafel is stil.

De keuken is stil.

Je handen voelen de warmte van het kopje.

De warmte is zacht.

De warmte is rustig.

De warmte is veilig.

Je voelt de warmte van de thee.

Je voelt de warmte van de keuken.

De keuken is warm.

De keuken is veilig.

Buiten valt de sneeuw op de gracht.

De sneeuw valt op de boten.

De sneeuw valt op de bomen.

De sneeuw valt zacht.

De sneeuw valt traag.

De sneeuw valt stil.

Je hoort je adem.

Rustig in.

Rustig uit.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je adem is zacht.

Je adem is rustig.

Je adem is veilig.

De keuken ruikt naar thee.

De keuken ruikt naar warmte.

De keuken ruikt naar rust.

De geur is zacht.

De geur is warm.

De geur is veilig.

Je kijkt naar het raam.

De sneeuw valt langs het glas.

Kleine vlokken.

Zacht en wit.

Ze dwarrelen langzaam naar beneden.

Ze raken de gracht.

Ze raken de boten.

Ze raken de bomen.

De wereld is wit.

De wereld is zacht.

De wereld is rustig.

Je zit stil op je stoel.

De stoel is stevig.

De stoel is warm.

De stoel is rustig.

Je rug voelt de stoel.

Je voeten voelen de vloer.

De vloer is warm.

De vloer is rustig.

De vloer is veilig.

Je kijkt naar je handen.

Ze houden het kopje vast.

Het kopje is warm.

Het kopje is rustig.

Het kopje is veilig.

Je voelt de warmte door je vingers.

De warmte is zacht.

De warmte is rustig.

De warmte is veilig.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De gracht is stil.

De boten liggen stil.

De bomen staan stil.

De wereld is wit.

De wereld is zacht.

De wereld is rustig.

Je neemt een slokje thee.

De thee is warm.

De thee is zacht.

De thee is rustig.

De thee smaakt naar rust.

De thee smaakt naar warmte.

De thee smaakt naar veiligheid.

Je sluit je ogen even.

Je hoort je adem.

Je hoort de sneeuw.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

De stilte is veilig.

Je opent je ogen weer.

De keuken is stil.

De tafel is stil.

De appels zijn stil.

De sneeuw valt.

De gracht is stil.

De wereld is stil.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

De sneeuw valt op de gracht.

De sneeuw valt op de boten.

De sneeuw valt op de bomen.

De sneeuw valt zacht.

De sneeuw valt traag.

De sneeuw valt stil.

Je voelt de warmte van het kopje.

Je voelt de warmte van de thee.

Je voelt de warmte van de keuken.

De warmte is zacht.

De warmte is rustig.

De warmte is veilig.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je handen rusten op het tafelblad.

Het hout is glad en warm.

Je voelt de nerf onder je vingers.

Lichte lijnen.

Zachte lijnen.

Ze lopen mee met je adem.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Traag.

Zacht.

Zonder haast.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Sommige blijven even hangen.

Dan glijden ze weg.

Langzaam.

Heel langzaam.

Je kijkt naar de appel op tafel.

Hij is rood en rond.

Hij ligt stil.

Hij ademt niet.

Hij hoeft niets.

Hij is er gewoon.

Net als jij.

Net als de keuken.

Net als de sneeuw.

De keuken ruikt naar thee.

Naar warm hout.

Naar iets zoets dat je niet kunt benoemen.

Het is een zachte geur.

Een rustige geur.

Een geur die blijft.

Je neemt weer een slok.

De thee is nog warm.

De warmte gaat langzaam door je heen.

Van je handen naar je armen.

Van je armen naar je borst.

Het is een zachte warmte.

Een trage warmte.

Een veilige warmte.

Op de achtergrond klinkt een zacht geluid.

Misschien is het de verwarming.

Misschien is het de wind.

Misschien is het niets.

Het maakt niet uit.

Het geluid is zacht.

Het geluid is rustig.

Het geluid is veilig.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De lucht in de keuken is warm.

De lucht is zacht.

De lucht is stil.

De sneeuw blijft vallen.

Op de gracht.

Op de boten.

Op de bomen.

Op de bruggen.

De wereld wordt stiller.

De wereld wordt witter.

De wereld wordt zachter.

Je kijkt naar het licht boven tafel.

Het is een klein licht.

Een warm licht.

Het schijnt zacht op het hout.

Het schijnt zacht op je handen.

Het schijnt zacht op de appel.

Je voelt je schouders zakken.

Je voelt je adem trager worden.

Je voelt de deken om je heen.

De deken is zacht.

De deken is warm.

De deken is veilig.

Even is er niets anders.

Alleen de keuken.

Alleen de thee.

Alleen de sneeuw.

Alleen jij.

De sneeuw valt zacht.

De sneeuw valt traag.

De sneeuw valt stil.

Je hoort de stilte.

De stilte is zacht.

De stilte is warm.

De stilte is veilig.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je handen rusten nog steeds op tafel.

Je vingers zijn ontspannen.

Je adem is rustig.

Je hart klopt zacht.

Alles is traag.

Alles is stil.

Alles is goed.

Buiten dwarrelt een vlok langs het raam.

Hij blijft even hangen.

Dan valt hij verder.

Zacht.

Traag.

Stil.

Net als de andere vlokken.

Net als de thee.

Net als jij.

Je sluit je ogen heel even.

Je voelt de warmte van het kopje.

Je voelt de warmte van de thee.

Je voelt de warmte van de keuken.

De warmte is zacht.

De warmte is rustig.

De warmte is veilig.

Je opent je ogen weer.

De keuken is stil.

De tafel is stil.

De appel is stil.

De sneeuw valt.

De gracht is stil.

De wereld is stil.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De wereld blijft stil.

En jij blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

De keuken blijft warm om je heen.

Het licht boven de tafel is zacht geel.

Het valt op het hout.

Het valt op je handen.

Het valt op de appel.

Alles ziet er rustig uit.

Alles voelt vertrouwd.

Je kijkt naar het raam.

De sneeuw valt nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Soms dwarrelt er een vlok tegen het glas.

Hij blijft even hangen.

Dan glijdt hij langzaam naar beneden.

Net als de andere.

Net als de thee in je kopje.

Net als je adem.

Je neemt weer een slok.

De thee is nog warm.

Niet heet, maar warm.

Precies goed.

Je voelt de warmte door je lichaam gaan.

Langzaam.

Zacht.

Je schouders zakken een beetje.

Je handen rusten op tafel.

Je vingers zijn ontspannen.

Je adem is rustig.

Je hart klopt zacht.

Op het fornuis staat de fluitketel.

Hij is stil.

Geen gefluit.

Alleen een klein beetje warmte.

Af en toe tikt er iets in de keuken.

Een zacht geluid.

Dan is het weer stil.

De stilte is niet leeg.

De stilte is vol.

Vol warmte.

Vol rust.

Je kijkt naar de appel op tafel.

Hij ligt er nog steeds.

Rood en rond.

Hij beweegt niet.

Hij hoeft niets te doen.

Jij hoeft ook niets te doen.

Je mag gewoon hier zijn.

In deze keuken.

Bij dit raam.

Bij deze thee.

Buiten wordt het licht een beetje zachter.

De middag wordt langzaam avond.

Maar het is nog geen avond.

Het is dat mooie moment ertussen.

Alles is zacht.

Alles is stil.

De gracht ligt er rustig bij.

De boten liggen stil.

De huizen aan de overkant hebben hun lichten aan.

Kleine warme lichtjes in de sneeuw.

Je ziet een fietser langzaam voorbijgaan.

Hij rijdt voorzichtig.

De sneeuw kraakt onder zijn banden.

Dan is hij weg.

De gracht is weer stil.

De sneeuw valt weer verder.

Zacht en traag.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De warmte van de keuken blijft om je heen.

De warmte van de thee blijft in je handen.

De deken ligt nog op je schoot.

Zacht en warm.

Je voelt hem nauwelijks.

Maar hij is er.

Net als de stilte.

Net als de sneeuw.

Je sluit je ogen heel even.

Je hoort je eigen adem.

Zacht en regelmatig.

Je hoort de stilte van de keuken.

Je hoort niets anders.

Geen haast.

Geen geluid van buiten.

Alleen de sneeuw.

Alleen de rust.

Je opent je ogen weer.

De keuken is nog steeds warm.

De tafel is nog steeds stil.

De appel ligt er nog.

De thee is nog warm.

De sneeuw valt nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De wereld is stil.

De keuken is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je kijkt naar het raam.

Het glas is een beetje beslagen.

Aan de rand zie je kleine druppels.

Ze glinsteren in het licht van de keuken.

Buiten is het wit.

De gracht is wit.

De bomen zijn wit.

De bruggen zijn wit.

Alles is stil en zacht.

De sneeuw dempt elk geluid.

De stad lijkt te slapen.

Rustig en veilig onder een witte deken.

Je kijkt weer naar de tafel.

De appel ligt er nog.

Rood en rond.

Hij glanst een beetje in het licht.

Je handen liggen om de theekom.

De warmte trekt langzaam naar binnen.

Het is een fijn gevoel.

Warm en rustig.

Je neemt een slokje thee.

De thee is nog warm.

Zacht en licht.

Je slikt langzaam.

Je voelt de warmte in je keel.

Het is een klein, stil moment.

Niets meer dan dat.

De deken ligt nog op je schoot.

Zacht en warm.

Je voelt hem nauwelijks.

Maar hij is er.

Net als de stilte.

Net als de sneeuw.

Net als de warmte van de keuken.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De lucht ruikt naar thee.

Naar warm hout.

Naar sneeuw die ver weg blijft.

De keuken ruikt vertrouwd.

Warm en veilig.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je ziet ze dwarrelen.

Ze dansen bijna.

Heel langzaam.

Zonder haast.

Zonder doel.

Ze vallen gewoon.

En dat is genoeg.

Je kijkt naar je handen.

Ze liggen stil om de kom.

Je voelt de warmte.

Je voelt de rust.

Je voelt de deken op je schoot.

Zacht en warm.

Alles is er.

Niets hoeft weg.

De keuken is stil.

De tafel is stil.

De appel ligt er nog.

De thee is nog warm.

De sneeuw valt nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je sluit je ogen heel even.

Je hoort je eigen adem.

Zacht en regelmatig.

Je hoort de stilte van de keuken.

Geen haast.

Geen geluid van buiten.

Alleen de sneeuw.

Alleen de rust.

Je opent je ogen weer.

Het licht in de keuken is zacht.

Warm en geel.

Het licht valt op de tafel.

Op de appel.

Op je handen.

Het is een klein licht.

Maar het is genoeg.

Je blijft hier.

Warm en veilig.

In de keuken.

Terwijl het sneeuwt op de grachten.

De sneeuw valt zacht.

De stad is stil.

De keuken is warm.

Jij bent rustig.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De wereld is stil.

De keuken is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

Je kijkt nog eens naar het raam.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

De gracht wordt stiller.

De bomen worden witter.

De lucht wordt zachter.

Alles wordt zachter.

Je handen blijven om de kom.

De warmte blijft.

De deken blijft.

De stilte blijft.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De thee is nog warm.

De appel ligt er nog.

De sneeuw valt nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

Je ogen zijn zacht.

Je kijkt naar de sneeuw.

De vlokken dwarrelen langs het raam.

Ze zijn klein en wit.

Ze vallen zonder haast.

De gracht is stil onder de sneeuw.

De boten liggen stil.

De bruggen liggen stil.

Alles is bedekt met een dun laagje wit.

De keuken is nog steeds warm.

De kom in je handen is nog steeds warm.

De deken om je schouders is zacht.

Je voelt de warmte van de thee.

Je voelt de warmte van de deken.

Je voelt de rust in je lichaam.

Je ademt rustig in.

De lucht is zacht.

Je ademt rustig uit.

De lucht gaat langzaam.

De keuken is stil.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

De lucht is grijs en zacht.

De bomen zijn wit.

De gracht is wit.

De stad is stil.

De stad is zacht.

Alles is zacht.

Je kijkt naar de appel op tafel.

Hij ligt er rustig.

Rood en rond.

Hij beweegt niet.

Hij wacht.

Net als jij.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De thee is nog warm.

Je neemt een kleine slok.

De warmte gaat langzaam door je lichaam.

Het is een fijn gevoel.

Een zacht gevoel.

Je handen blijven om de kom.

De warmte blijft.

De deken blijft.

De stilte blijft.

Je hoort een zacht geluid.

Het is de verwarming.

Hij tikt zacht.

Het is een rustig geluid.

Het is een warm geluid.

Het past bij de keuken.

Het past bij de stilte.

Je luistert even.

Dan wordt het weer stil.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

De gracht wordt stiller.

De bomen worden witter.

De lucht wordt zachter.

Alles wordt zachter.

Alles wordt rustiger.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

Je kijkt nog eens naar het raam.

De sneeuw dwarrelt langs het glas.

Kleine vlokken.

Witte vlokken.

Ze vallen zonder haast.

Ze vallen zonder geluid.

De stad is stil.

De gracht is stil.

De boten liggen stil.

De bruggen liggen stil.

Alles is bedekt met een dun laagje wit.

De keuken is nog steeds warm.

De kom in je handen is nog steeds warm.

De deken om je schouders is zacht.

Je voelt de warmte van de thee.

Je voelt de warmte van de deken.

Je voelt de rust in je lichaam.

Je ademt rustig in.

De lucht is zacht.

Je ademt rustig uit.

De lucht gaat langzaam.

De keuken is stil.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

De lucht is grijs en zacht.

De bomen zijn wit.

De gracht is wit.

De stad is stil.

De stad is zacht.

Alles is zacht.

Je kijkt naar de appel op tafel.

Hij ligt er rustig.

Rood en rond.

Hij beweegt niet.

Hij wacht.

Net als jij.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De thee is nog warm.

Je neemt een kleine slok.

De warmte gaat langzaam door je lichaam.

Het is een fijn gevoel.

Een zacht gevoel.

Je handen blijven om de kom.

De warmte blijft.

De deken blijft.

De stilte blijft.

Je hoort een zacht geluid.

Het is de verwarming.

Hij tikt zacht.

Het is een rustig geluid.

Het is een warm geluid.

Het past bij de keuken.

Het past bij de stilte.

Je luistert even.

Dan wordt het weer stil.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

De gracht wordt stiller.

De bomen worden witter.

De lucht wordt zachter.

Alles wordt zachter.

Alles wordt rustiger.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De sneeuw valt nog steeds.

Je ziet het door het raam.

Grote vlokken.

Kleine vlokken.

Ze dwarrelen langzaam naar beneden.

Ze landen op de gracht.

Ze landen op de bomen.

Ze landen op de kade.

Alles wordt zacht en wit.

De keuken blijft warm.

De lucht ruikt nog naar thee.

Naar appeltaart.

Naar hout.

Het is een bekende geur.

Een veilige geur.

Je zit stil op je stoel.

De deken ligt om je schouders.

Hij is zacht en warm.

Je voelt hem tegen je nek.

Je voelt hem tegen je armen.

Op tafel staat de appel.

Hij ligt er rustig.

Rood en rond.

Hij beweegt niet.

Hij hoeft niets te doen.

Net als jij.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De thee is nog warm.

Je neemt weer een kleine slok.

De warmte gaat langzaam door je lichaam.

Het is een fijn gevoel.

Een zacht gevoel.

Je handen blijven om de kom.

De warmte blijft.

De deken blijft.

De stilte blijft.

De verwarming tikt zacht.

Het is een rustig geluid.

Het is een warm geluid.

Het past bij de keuken.

Het past bij de sneeuw.

Je luistert even.

Dan wordt het weer stil.

Buiten is de gracht stil.

Het water beweegt langzaam.

De sneeuw raakt het water.

Dan verdwijnt de vlok.

Zacht en zonder geluid.

De gracht wordt stiller.

De bomen worden witter.

De lucht wordt zachter.

Alles wordt zachter.

Alles wordt rustiger.

Aan de muur hangt een klok.

Hij tikt langzaam.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een klein geluid.

Een rustig geluid.

Het past bij de kamer.

Het past bij de middag.

Je hoeft niet op de klok te kijken.

De tijd gaat vanzelf.

Traag en rustig.

Op het aanrecht staat een kopje.

Het is leeg.

Het staat stil.

Naast het kopje ligt een lepel.

Hij glimt zacht in het licht.

Het licht is zacht vandaag.

Het komt door het raam.

Het valt op de tafel.

Het valt op de appel.

Het valt op je handen.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je ziet het door het raam.

Je ziet het zonder haast.

De vlokken dansen langzaam.

Ze dalen neer.

Ze blijven even liggen.

Dan komen er weer nieuwe vlokken.

De appel ligt nog op tafel.

Rood en rond.

Hij wacht.

Net als jij.

Je hoeft niets te doen.

Je mag gewoon kijken.

Naar de sneeuw.

Naar het licht.

Naar de stilte.

De thee is bijna op.

De kom is nog warm.

Je houdt hem vast.

De warmte gaat naar je handen.

Het is een fijn gevoel.

Een zacht gevoel.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je kijkt weer naar buiten.

De gracht is wit geworden.

De boten liggen stil aan de kade.

Ze zijn bedekt met een dun laagje sneeuw.

Zacht en wit.

De bomen langs het water hebben witte takken.

Ze bewegen bijna niet.

De lucht is grijs en zacht.

Geen hard licht.

Alleen een zacht grijs dat alles rustig maakt.

De keuken is nog steeds warm.

Je voelt het aan je gezicht.

Je voelt het aan je handen.

De kom is nu leeg.

Je zet hem zacht op tafel.

Het geluid is klein.

Een zacht tikje.

Dan is het weer stil.

Je kijkt naar de appel.

Hij ligt er nog.

Rood en rond.

Hij glanst een beetje in het licht.

Je hoeft hem niet te pakken.

Je mag gewoon kijken.

Naar de vorm.

Naar de kleur.

Naar de rust.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Sommige vlokken zijn groot.

Sommige zijn klein.

Ze dwarrelen langzaam naar beneden.

Ze landen op de gracht.

Ze landen op de boten.

Ze landen op de bomen.

Alles wordt stiller.

Alles wordt witter.

Alles wordt zachter.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De lucht is warm in je lichaam.

De keuken is warm om je heen.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De verwarming tikt zacht.

Het is een klein geluid.

Een regelmatig geluid.

Het past bij de stilte.

Het past bij de sneeuw.

Het past bij jou.

Je kijkt naar het raam.

Er zijn kleine druppeltjes aan de binnenkant.

Ze glinsteren in het licht.

Ze lopen langzaam naar beneden.

Heel langzaam.

Je volgt ze met je ogen.

Ze verdwijnen aan de onderkant.

Dan komen er weer nieuwe druppeltjes.

Ze glinsteren.

Ze lopen.

Ze verdwijnen.

Het is een rustig spel.

Zonder haast.

Zonder doel.

Je handen liggen op tafel.

Ze zijn warm.

De tafel is zacht onder je vingers.

Het hout voelt glad en koel.

Je strijkt er zacht over.

Heen en terug.

Heen en terug.

Het is een klein gebaar.

Een rustig gebaar.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

Je ziet het door het raam.

Je ziet het zonder haast.

De vlokken dansen langzaam.

Ze dalen neer.

Ze blijven even liggen.

Dan komen er weer nieuwe vlokken.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De klok tikt langzaam.

De verwarming tikt zacht.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De verwarming tikt zacht.

Je hoort het geluid zonder er iets mee te hoeven.

Het is er gewoon.

Zoals de sneeuw er is.

Zoals de tafel er is.

Je vingers liggen nog steeds op het hout.

Ze zijn warm geworden.

Het hout is nog koel.

Dat verschil voelt fijn.

Je laat je handen rusten.

Buiten wordt het langzaam iets donkerder.

Geen haast.

Het licht trekt zich terug.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

Zacht en traag.

De gracht ligt stil onder een dun wit laagje.

De huizen aan de overkant hebben lichte ramen.

Achter die ramen zijn mensen.

Ook stil.

Ook warm.

Je hoeft ze niet te zien.

Je weet dat ze er zijn.

Dat is genoeg.

In de keuken ruikt het naar iets warms.

Iets zoets.

Misschien was het de thee van net.

Misschien is het gewoon de lucht van een warme kamer.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De geur blijft hangen.

Zacht en vriendelijk.

Je hoeft niets te doen.

De klok tikt langzaam.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een klein geluid.

Een rustig geluid.

Je luistert er even naar.

Dan laat je het weer los.

Het tikt gewoon door.

Zonder haast.

Zonder doel.

Net als de sneeuw.

Net als jij.

Je kijkt weer naar het raam.

De vlokken dansen langzaam.

Ze dalen neer.

Ze blijven even liggen op de vensterbank.

Dan komen er weer nieuwe vlokken.

Het is een spel zonder einde.

Zacht en traag.

Je kijkt ernaar zonder iets te verwachten.

Het is mooi zoals het is.

Je handen liggen nog op tafel.

Ze zijn warm.

De tafel is zacht onder je vingers.

Je strijkt er weer over.

Heen en terug.

Heen en terug.

Het is een klein gebaar.

Een rustig gebaar.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon hier zijn.

De deken ligt over je schouders.

Hij is zacht.

Hij is warm.

Je voelt hem licht bewegen als je ademt.

Op en neer.

Heel langzaam.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Alles gaat vanzelf.

De sneeuw blijft vallen.

Vlok na vlok.

De wereld wordt stiller.

De gracht wordt witter.

De huizen aan de overkant lijken verder weg.

Maar ze zijn er nog.

Met hun lichte ramen.

Met hun warme kamers.

Je hoeft ze niet te zien.

Je weet dat ze er zijn.

Dat is genoeg.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De sneeuw valt nog steeds.

Zacht en langzaam.

Je ziet het niet, maar je voelt het.

De stilte buiten wordt dieper.

De keuken blijft warm.

Het licht boven de tafel is zacht.

Het schijnt op de muur.

Op de kopjes.

Op de lege stoel naast je.

Alles staat stil.

Alles wacht.

Niet op iets bijzonders.

Gewoon op niets.

En dat is goed.

Je handen rusten op tafel.

Ze zijn warm.

De deken ligt nog over je schouders.

Hij beweegt mee met je adem.

Op en neer.

Heel langzaam.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Alles gaat vanzelf.

Buiten wordt de gracht witter.

De sneeuw legt een laagje op de kade.

Op de brug.

Op de daken van de huizen aan de overkant.

De wereld wordt zachter.

De lijnen verdwijnen.

Alles wordt één kleur.

Wit en stil.

De huizen lijken verder weg.

Maar ze zijn er nog.

Met hun lichte ramen.

Met hun warme kamers.

Je hoeft ze niet te zien.

Je weet dat ze er zijn.

Dat is genoeg.

In de keuken is het warm.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De twee geluiden mengen zich.

Tik.

Tik.

Tik.

Ze gaan samen.

Rustig en gelijkmatig.

Je luistert niet echt.

Je hoort het gewoon.

Het is er.

Zoals de lucht.

Zoals de stilte.

Zoals de sneeuw.

Op het aanrecht staat een kom.

Er ligt een lepel naast.

De kom is leeg.

De lepel is schoon.

Alles is opgeruimd.

Alles is rustig.

De keuken ruikt naar warmte.

Naar hout.

Naar iets van kaneel.

Heel licht.

Je hoeft niet te weten waar het vandaan komt.

Het is er.

Dat is genoeg.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De deken ligt over je schouders.

Hij is zacht.

Hij is warm.

Je voelt hem licht bewegen als je ademt.

Op en neer.

Heel langzaam.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Alles gaat vanzelf.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

De gracht wordt stiller.

De kade wordt witter.

De brug is bijna niet meer te zien.

Alleen een zachte lijn.

Een beetje wit.

Een beetje grijs.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Je kijkt naar het raam.

De sneeuw dwarrelt langs het glas.

Soms blijft een vlok hangen.

Even.

Dan glijdt hij weg.

Langzaam.

Zonder geluid.

Je kijkt ernaar.

Je hoeft niets te doen.

Kijken is genoeg.

Ademen is genoeg.

Hier zijn is genoeg.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en traag.

De vlokken dansen langs het raam.

Soms groot.

Soms klein.

Ze lijken geen haast te hebben.

Net als jij.

Net als deze avond.

In de keuken is het warm.

De lucht ruikt naar hout en iets zoets.

Misschien van de appeltaart van eerder.

Misschien van de thee die nog staat te wachten.

Het maakt niet uit.

Het ruikt vertrouwd.

Het ruikt naar thuis.

Je handen liggen stil op de deken.

De deken is zacht.

Hij ligt om je heen.

Hij houdt je warm.

Je voelt de warmte langzaam door je lichaam gaan.

Van je schouders naar je armen.

Van je armen naar je handen.

Alles wordt zacht.

Alles wordt rustig.

Buiten wordt de gracht steeds witter.

De kade verdwijnt langzaam onder een laagje sneeuw.

De brug is nu bijna niet meer te zien.

Alleen een vage vorm.

Een beetje wit.

Een beetje grijs.

De wereld wordt kleiner.

De wereld wordt stiller.

In de keuken blijft het licht.

Het licht is warm.

Het licht is geel.

Het licht valt zacht op de tafel.

Op de kopjes.

Op de deken.

Op jou.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Je mag gewoon zitten.

Kijken.

Ademen.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je kijkt weer naar het raam.

Een vlok blijft hangen.

Even.

Dan glijdt hij weg.

Langzaam.

Zonder geluid.

Je volgt hem met je ogen.

Tot hij verdwenen is.

Dan kijk je naar de volgende.

En de volgende.

Ze blijven komen.

Zacht en traag.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Je neemt een slok van je thee.

De thee is nog warm.

Hij smaakt zacht.

Een beetje zoet.

Een beetje kruidig.

Je voelt de warmte in je keel.

Langzaam zakt hij naar beneden.

Naar je buik.

Naar je hart.

Alles wordt warm.

Alles wordt rustig.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

Vlok na vlok.

De gracht wordt stiller.

De kade wordt witter.

De brug is bijna niet meer te zien.

Alleen een zachte lijn.

Een beetje wit.

Een beetje grijs.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Alles gaat vanzelf.

Je hoeft niets te doen.

Kijken is genoeg.

Ademen is genoeg.

Hier zijn is genoeg.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

Je handen rusten op de tafel.

Ze zijn warm.

De tafel is zacht onder je vingers.

Het hout voelt glad en rustig.

Je hoeft ze niet te bewegen.

Je hoeft niets vast te houden.

Je handen mogen gewoon daar blijven liggen.

Warm en stil.

Buiten dwarrelt de sneeuw langs het raam.

Heel langzaam.

Alsof elke vlok de tijd neemt om te vallen.

De ene na de andere.

Zacht en wit.

De gracht ligt er stil bij.

Het water is donker en rustig.

De kade is wit geworden.

De brug is een vage lijn in de verte.

Een beetje wit.

Een beetje grijs.

Alles wordt zachter om te zien.

In de keuken is het licht warm.

Het komt van de lamp boven de tafel.

Het valt op je handen.

Op de deken.

Op de kopjes.

Het licht is niet fel.

Het is zacht.

Het beweegt bijna niet.

Het blijft gewoon bij je.

Rustig en warm.

Je ademt in.

De lucht is warm.

Je ademt uit.

De lucht gaat zacht naar buiten.

Je schouders zakken een beetje.

Ze zakken vanzelf.

Je hoeft ze niet te laten zakken.

Het gebeurt gewoon.

Alles gebeurt vanzelf.

Ademen gaat vanzelf.

Zitten gaat vanzelf.

Hier zijn gaat vanzelf.

De verwarming tikt zacht.

Af en toe.

Een klein geluid.

Dan weer stil.

De klok tikt langzaam.

Tik.

Tik.

Tik.

De sneeuw valt stil.

Vlok na vlok.

Alles heeft zijn eigen ritme.

Alles gaat rustig door.

Niets hoeft sneller.

Je kijkt naar de thee.

De thee is nog warm.

Hij smaakt zacht.

Een beetje zoet.

Een beetje kruidig.

Je voelt de warmte in je keel.

Langzaam zakt hij naar beneden.

Naar je buik.

Naar je hart.

Alles wordt warm.

Alles wordt rustig.

De deken ligt om je heen.

Hij is zacht.

Hij is warm.

Hij beweegt mee als je ademt.

Heel langzaam.

Op en neer.

Op en neer.

Je voelt de stof tegen je armen.

Tegen je schouders.

Hij houdt je vast.

Zacht en rustig.

Je bent veilig hier.

In deze keuken.

Bij dit licht.

Bij deze warmte.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

De wereld wordt stiller.

De wereld wordt witter.

De gracht is bijna niet meer te zien.

Alleen een zachte lijn.

Een beetje wit.

Een beetje grijs.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Alleen dit moment is hier.

Je mag gewoon hier zijn.

Warm en rustig.

Je hoeft niets te doen.

Kijken is genoeg.

Ademen is genoeg.

Hier zijn is genoeg.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

Alles is goed.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Alles gaat vanzelf.

Je mag gewoon blijven zitten.

Warm en stil.

De sneeuw blijft vallen.

De keuken blijft warm.

En jij blijft hier.

Rustig en veilig.

Alles is goed.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en langzaam.

Je ziet het door het raam.

Kleine vlokken.

Ze dwarrelen naar beneden.

Ze landen op de gracht.

Ze landen op de kade.

Ze landen op de brug.

De wereld wordt steeds witter.

De wereld wordt steeds stiller.

In de keuken is het warm.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De twee geluiden mengen zich.

Ze worden één rustig geluid.

Je hoort ze allebei.

Je hoeft ze niet te tellen.

Je hoeft alleen maar te luisteren.

Luisteren is genoeg.

Op het aanrecht staat de mok nog.

De thee is bijna koud nu.

Dat geeft niet.

De mok staat er rustig.

Het licht valt er zacht op.

Een klein beetje glans.

Een klein beetje warmte.

Je kijkt ernaar en je voelt je rustig.

Buiten is de gracht bijna wit.

De boten liggen stil.

Ze hebben een laagje sneeuw.

Zacht en gelijkmatig.

De bomen langs de kade zijn stil.

Hun takken dragen een beetje wit.

Alles lijkt even te wachten.

Niet gespannen.

Gewoon rustig.

Gewoon stil.

De keuken is nog steeds groot.

De warmte is nog steeds dichtbij.

Je deken ligt zacht om je heen.

Hij beweegt mee met je adem.

Langzaam in.

Langzaam uit.

Je ademt rustig.

De sneeuw valt rustig.

De wereld is stil.

Je mag hier blijven.

Warm en rustig.

Je hoeft niets te doen.

Kijken is genoeg.

Ademen is genoeg.

Hier zijn is genoeg.

De sneeuw valt.

De keuken is warm.

De wereld is stil.

Jij bent stil.

En dat is goed.

De verwarming tikt zacht.

De klok tikt langzaam.

De sneeuw valt stil.

Alles is rustig.

Alles is goed.

Je ademt rustig in.

Je ademt rustig uit.

De deken beweegt mee.

Zacht en traag.

Alles gaat vanzelf.

Misschien hoor je heel zacht iets buiten.

Een fiets die langzaam voorbijgaat.

De sneeuw dempt het geluid.

Het is bijna geen geluid meer.

Alleen een heel klein teken dat de wereld er nog is.

Dan wordt het weer stil.

Heel stil.

Je kijkt weer naar het raam.

De vlokken blijven komen.

Ze zijn allemaal anders.

Ze zijn allemaal zacht.

Ze landen en ze verdwijnen.

De wereld wordt wit.

De wereld wordt stil.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Je handen zijn warm.

Je schouders zijn zacht.

Je adem gaat vanzelf.

In en uit.

Rustig en traag.

Je hoeft niets te vragen.

Je hoeft niets te weten.

Het is genoeg om hier te zijn.

Bij dit licht.

Bij deze warmte.

Bij deze stilte.

De sneeuw blijft vallen.

De keuken blijft warm.

De klok blijft tikken.

Alles gaat langzaam.

Alles gaat zacht.

Je mag gewoon blijven zitten.

Warm en stil.

De deken ligt om je heen.

De mok staat op het aanrecht.

De gracht ligt onder de sneeuw.

En jij bent hier.

Rustig en veilig.

Alles is goed.

Alles is goed.

De sneeuw valt nog steeds.

Zacht en langzaam.

Vlok na vlok na vlok.

Je kijkt ernaar zonder iets te zoeken.

Je ogen volgen het wit.

Ze volgen het licht.

Ze rusten op het raam.

Buiten wordt de gracht stiller.

De kades liggen wit.

De boten liggen wit.

De bruggen liggen wit.

Alles krijgt dezelfde kleur.

Alles krijgt dezelfde rust.

De stad ademt zachtjes onder de sneeuw.

Ze slaapt bijna.

Ze is dichtbij en ver weg tegelijk.

In de keuken blijft het licht warm.

Het licht is geel en zacht.

Het valt op de tafel.

Het valt op de muur.

Het valt op je handen.

Je handen zijn nog steeds warm.

Ze liggen rustig op de deken.

De deken ligt om je heen.

Hij is zacht en zwaar.

Hij houdt je vast.

Hij houdt je warm.

De mok staat op het aanrecht.

Hij is bijna leeg.

De laatste warmte stijgt er langzaam uit.

Een klein sliertje damp.

Het gaat omhoog en verdwijnt.

Dan is het weg.

Dan is het stil.

De mok blijft staan.

Hij hoeft niets te doen.

Hij staat er gewoon.

Net als jij.

De klok tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een klein geluid.

Het is een zacht geluid.

Het past bij de kamer.

Het past bij de stilte.

Je hoeft het niet te tellen.

Je hoeft het niet te volgen.

Het tikt gewoon.

En jij zit gewoon.

Samen in dezelfde kamer.

Samen in dezelfde rust.

Je ademt in.

Je ademt uit.

In en uit.

Rustig en traag.

Je adem gaat vanzelf.

Hij hoeft niets te weten.

Hij hoeft niets te vragen.

Hij gaat gewoon.

Zacht en gelijk.

Als de sneeuw buiten.

Als de klok in de kamer.

Alles gaat langzaam.

Alles gaat zacht.

Je schouders zakken een beetje.

Ze worden nog zachter.

Je nek wordt los.

Je hoofd wordt licht.

Het is een klein gevoel.

Een warm gevoel.

Het komt vanzelf.

Je hoeft het niet te zoeken.

Het is er gewoon.

Bij dit licht.

Bij deze warmte.

Bij deze stilte.

De sneeuw blijft vallen.

De vlokken zijn allemaal anders.

Ze zijn allemaal zacht.

Ze landen op het raam.

Ze landen op de kade.

Ze landen en ze verdwijnen.

De wereld wordt wit.

De wereld wordt stil.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Je kijkt weer naar het raam.

Het licht is nog steeds zacht.

De vlokken dansen langzaam.

Ze hebben geen haast.

Ze hebben alle tijd.

Net als jij.

Je hebt alle tijd.

Je mag hier blijven.

Warm en stil.

Onder de deken.

Bij het licht.

Bij de klok die tikt.

De mok staat op het aanrecht.

De deken ligt om je heen.

De gracht ligt onder de sneeuw.

De keuken blijft warm.

De klok blijft tikken.

Alles is goed.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Het is genoeg om hier te zijn.

Bij deze warmte.

Bij deze stilte.

Bij deze zachte, witte wereld.

De sneeuw blijft vallen.

Zachte vlokken, zonder haast.

Ze dwarrelen langs het raam.

Ze landen op de kade.

Ze maken de wereld langzaam wit.

Je zit nog steeds bij het raam.

De deken ligt om je schouders.

De mok staat naast je.

De thee is bijna op.

Dat is goed.

Je hoeft niets te doen.

Buiten wordt het stiller.

De gracht ligt onder een dunne laag sneeuw.

De boten liggen stil.

De bomen staan rustig.

Alles is zacht geworden.

Alles is wit.

In de keuken is het warm.

Het licht boven de tafel is zacht.

De klok tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het geluid is klein en vriendelijk.

Het past bij deze kamer.

Het past bij deze stilte.

Je ademt langzaam in.

Je ademt langzaam uit.

De lucht is warm.

De lucht ruikt naar thee.

Naar hout.

Naar sneeuw die tegen het raam valt.

De vlokken dansen.

Ze hebben geen haast.

Ze hebben alle tijd.

Net als jij.

Je hebt alle tijd.

Je mag hier blijven.

Warm en stil.

Onder de deken.

Bij het licht.

Je kijkt naar de mok.

De mok is leeg.

Dat is niet erg.

De mok mag leeg zijn.

De warmte blijft.

De rust blijft.

Buiten valt de sneeuw nog steeds.

De vlokken zijn allemaal anders.

Ze zijn allemaal zacht.

Ze landen op het raam.

Ze landen op de kade.

Ze landen en ze verdwijnen.

De wereld wordt wit.

De wereld wordt stil.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

De tafel is dichtbij.

De stoel is dichtbij.

De deken is dichtbij.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Het is genoeg om hier te zijn.

Bij deze warmte.

Bij deze stilte.

Bij deze zachte, witte wereld.

De klok tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Het geluid is rustig.

Het geluid is vriendelijk.

Het past bij deze kamer.

Het past bij deze avond.

Je kijkt weer naar het raam.

Het licht is nog steeds zacht.

De vlokken dansen langzaam.

Ze hebben geen haast.

Ze hebben alle tijd.

Net als jij.

Je mag hier blijven.

Warm en stil.

Onder de deken.

Bij het licht.

Bij de klok die tikt.

De mok staat op het aanrecht.

De deken ligt om je heen.

De gracht ligt onder de sneeuw.

De keuken blijft warm.

De klok blijft tikken.

Alles is goed.

Alles is rustig.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Het is genoeg om hier te zijn.

Bij deze warmte.

Bij deze stilte.

Bij deze zachte, witte wereld.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en langzaam.

De wereld wordt wit.

De wereld wordt stil.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Alleen de rust is hier.

Je ademt langzaam in.

Je ademt langzaam uit.

De lucht is warm.

De lucht is zacht.

Je mag hier blijven.

Nog even.

Nog heel even.

Bij het licht.

Bij de klok.

Bij de sneeuw.

De sneeuw blijft vallen.

Buiten is alles wit en stil.

De gracht ligt onder een zachte laag.

De bomen staan roerloos langs het water.

Hun takken dragen kleine hoopjes sneeuw.

Het lijkt wel of de wereld even pauze neemt.

In de keuken is het warm.

De lucht ruikt naar hout en naar iets zoets.

Op het fornuis staat een pan.

Er komt een klein beetje stoom vanaf.

De stoom krult langzaam omhoog.

Dan lost hij op in de warme lucht.

Niemand hoeft iets te doen.

De pan mag daar gewoon staan.

De keuken mag gewoon warm blijven.

Je kijkt naar het raam.

De vlokken dwarrelen voorbij.

Ze gaan nooit recht naar beneden.

Ze zweven.

Ze draaien.

Ze hebben alle tijd.

Net als jij.

Je hoeft niet te haasten.

Je hoeft nergens heen.

Het is genoeg om te kijken.

Om te ademen.

Om hier te zijn.

De mok staat nog op het aanrecht.

De deken ligt nog om je heen.

De klok tikt zachtjes verder.

Tik.

Tik.

Tik.

Het is een rustig geluid.

Het past bij deze kamer.

Bij dit licht.

Bij deze stilte.

Je ademt langzaam in.

De lucht is warm.

Je ademt langzaam uit.

De lucht is zacht.

Je schouders zakken een beetje.

Je handen liggen stil.

Alles mag even rusten.

Alles mag even blijven zoals het is.

Op de vensterbank staat een klein schaaltje.

Er liggen een paar noten in.

Ze glanzen zacht in het licht.

Naast het schaaltje staat een theelichtje.

Het vlammetje beweegt heel langzaam.

Heen en weer.

Heen en weer.

Net als de sneeuw buiten.

Net als je adem.

De keuken is nog steeds warm.

De deken is nog steeds zacht.

De gracht ligt nog steeds onder de sneeuw.

Niets verandert snel.

Niets hoeft te veranderen.

De wereld is wit en stil.

De kamer is warm en dichtbij.

Je mag hier blijven.

Nog even.

Nog heel even.

Bij het licht van het theelichtje.

Bij het tikken van de klok.

Bij de vlokken die langzaam vallen.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en langzaam.

De wereld wordt wit.

De wereld wordt stil.

De wereld wordt klein.

Alleen de keuken is groot.

Alleen de warmte is dichtbij.

Alleen de rust is hier.

Je ademt langzaam in.

Je ademt langzaam uit.

De lucht is warm.

De lucht is zacht.

Je hoeft niets te doen.

Je hoeft niets te zeggen.

Het is genoeg om hier te zijn.

Bij deze warmte.

Bij deze stilte.

Bij deze zachte, witte wereld.

De klok tikt.

De sneeuw valt.

De mok staat stil op het aanrecht.

De deken ligt om je heen.

Alles is goed.

Alles is rustig.

Je mag hier blijven.

Nog even.

Nog heel even.

Bij het licht.

Bij de klok.

Bij de sneeuw.

De vlokken worden kleiner.

Ze vallen stiller.

Ze vallen zachter.

De gracht wordt wit.

De bomen worden wit.

De lucht wordt zacht grijs.

Je ogen worden zwaar.

Dat is goed.

Dat mag.

Je hoeft ze niet open te houden.

Je hoeft niets te zien.

Je mag gewoon voelen.

De warmte om je heen.

De deken op je knieën.

De stoel onder je.

De klok tikt.

Tik.

Tik.

Tik.

Traag en gelijkmatig.

Als een hartslag.

Als een ademhaling.

Je ademt mee.

In.

En uit.

In.

En uit.

De keuken is stil.

De sneeuw dempt elk geluid.

De wereld buiten wordt zachter.

De wereld binnen wordt warmer.

Je hoeft niets meer te doen vandaag.

Niets meer te zeggen.

Niets meer te denken.

De mok is leeg.

Dat is goed.

De thee is op.

De warmte zit nu binnen.

In je handen.

In je borst.

In je hele lichaam.

Je hoofd wordt lichter.

Je gedachten worden zachter.

Ze drijven weg.

Als de vlokken buiten.

Langzaam.

Zonder haast.

Zonder richting.

Je mag je ogen sluiten.

Even maar.

Of langer.

Dat mag ook.

Er is geen haast.

Er is geen tijd.

Alleen deze kamer.

Alleen deze warmte.

Alleen deze stilte.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht en wit.

De gracht slaapt bijna.

De boten liggen stil.

De bruggen zijn wit.

Alles is bedekt.

Alles is rustig.

Je ademt in.

Je ademt uit.

De lucht is warm.

De lucht is zacht.

Je schouders zakken.

Je handen worden los.

Je voelt de deken.

Je voelt de stoel.

Je voelt de rust.

De klok tikt nog.

Maar zachter nu.

Tik.

Tik.

Bijna een fluistering.

Bijna stilte.

Het theelichtje brandt.

Klein en warm.

Het licht danst zacht op de muur.

Op het aanrecht.

Op je handen.

Het is een klein licht.

Een warm licht.

Het is genoeg.

Buiten valt de sneeuw.

Binnen is het warm.

Binnen is het stil.

Binnen ben je veilig.

Je hoeft niets vast te houden.

Je hoeft niets te onthouden.

Je mag alles loslaten.

Langzaam.

Zacht.

Een voor een.

De warmte blijft.

De stilte blijft.

De sneeuw blijft vallen.

Zacht.

Wit.

Traag.

Je ademt nog een keer diep in.

En langzaam uit.

Je voelt je lichaam zwaar worden.

Zwaar en warm.

Zwaar en veilig.

De kamer is donkerder nu.

Alleen het theelichtje is nog wakker.

Een klein puntje licht.

Een klein puntje warmte.

Het is genoeg.

De klok tikt.

De sneeuw valt.

Je ogen zijn bijna dicht.

Dat is goed.

Dat mag.

Je mag hier blijven.

Nog even.

Nog heel even.

Bij het licht.

Bij de klok.

Bij de sneeuw.

En dan mag je gaan.

Zachtjes.

Langzaam.

Naar de slaap.

Naar de rust.

Naar de warme, stille nacht.

De vlokken vallen.

De gracht is wit.

De keuken is warm.

En jij bent hier.

Nog heel even.

En dan niet meer.

Alleen de rust blijft.

Alleen de warmte blijft.

Alleen de sneeuw blijft vallen.

Zacht.

Wit.

Traag.

Welterusten.

0:00
Settings

Text

Mode

Audio

Pause