

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Tim is een man.
Hij woont in Utrecht.
Utrecht is een mooie stad.
Tim heeft een fiets.
De fiets is geel.
Tim rijdt elke dag op zijn fiets.
De fiets maakt een geluid.
Het geluid is zacht.
Tim vindt het geluid mooi.
Vandaag is het zonnig.
De lucht is blauw.
De zon is warm.
Tim gaat naar het park.
Het park is groen en groot.
Tim ziet veel bomen.
De bomen zijn hoog.
De bladeren zijn groen.
Tim hoort vogels.
De vogels zingen mooi.
Tim hoort ook de wind.
De wind speelt in de bomen.
Tim loopt in het park.
Het gras is zacht.
Tim ruikt de bloemen.
De bloemen zijn mooi.
Hij ziet iets kleins.
Het is een kat.
De kat is wit.
De kat is heel klein.
Tim kijkt naar de kat.
De kat kijkt naar Tim.
De kat heeft blauwe ogen.
Tim zegt: "Hallo, kleine kat!" De kat zegt niets.
De kat maakt een zacht geluid.
Tim lacht.
Tim vindt de kat leuk.
Tim gaat zitten op een bank.
De bank is bruin.
Tim heeft brood.
Het brood is vers.
Tim eet het brood.
De kat kijkt naar het brood.
De kat is niet bang.
Tim zegt: "Wil jij ook eten?" De kat loopt naar Tim.
De kat is dichtbij Tim.
Tim geeft een stukje brood.
De kat eet het brood.
Tim is blij.
Tim ziet: de kat is dun.
De kat heeft honger.
Tim denkt: "Deze kat heeft geen huis." Tim kijkt naar de kat.
De kat is klein en dun.
Tim voelt iets in zijn hart.
Tim wil helpen.
Tim pakt de kat op.
De kat is zacht.
De kat is warm.
Tim loopt naar huis.
Het huis van Tim is niet ver.
Tim loopt snel.
Thuis zet Tim de kat neer.
De kat loopt in het huis.
De kat ruikt aan alles.
Tim lacht.
Tim heeft melk.
Hij pakt een kom.
De kom is blauw.
Tim doet melk in de kom.
De kat drinkt de melk.
De kat drinkt veel.
Tim kijkt naar de kat.
Tim is heel blij.
Tim zegt: "Jij woont nu hier." Tim geeft de kat een naam.
De naam is Pim.
Pim is een goede naam.
Tim zegt: "Hallo Pim!" Pim kijkt naar Tim.
Pim maakt een zacht geluid.
Tim heeft nu een kat.
Pim heeft nu een huis.
Tim en Pim zijn samen.
Tim is niet alleen.
Pim is niet alleen.
Tim denkt aan vroeger.
Vroeger was Tim alleen.
Nu is Tim blij.
Pim is ook blij.
De volgende dag gaat Tim naar de winkel.
Tim koopt eten voor Pim.
Het eten is voor katten.
Tim koopt ook een bal.
De bal is oranje.
Pim speelt met de bal.
De bal rolt over de vloer.
Tim lacht hard.
Pim rent achter de bal.
Tim zit op de bank.
Pim springt op de bank.
Pim zit naast Tim.
Tim aait Pim.
Pim is zacht.
Tim is gelukkig.
Pim is gelukkig.
Elke dag loopt Tim naar het park.
Elke dag komt Tim terug.
Pim wacht bij de deur.
Pim is blij.
Tim is blij.
Het is een goed leven.
Tim kijkt naar Pim.
Pim kijkt naar Tim.
Samen zijn ze sterk.
Samen zijn ze gelukkig.
Tot de volgende keer.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze