Find my level
Login
Play me!
Alle podcasts

De Radio in de Klas

Ik ben Rick, een leraar Nederlands uit Den Haag, maar op maandag geef ik les in Leiden.

Die ochtend rook de school naar natte jassen en koffie.

Buiten tikte regen tegen de ramen.

Een fietsbel klonk boos, alsof de fietser de wolken persoonlijk kende.

Dat is heel Nederlands, dacht ik.

Zelfs de regen krijgt hier kritiek.

In de klas zat Amina al op haar plek.

Zij kwam uit de Centraal-Afrikaanse Republiek en leerde Nederlands voor haar studie zorg.

Normaal maakte ze snel een grap, maar vandaag keek ze naar haar telefoon.

Haar thee werd koud. ‘Alles goed?’ vroeg ik zacht.

Ze knikte eerst, maar daarna zei ze: ‘Nee, niet echt.

Er is een zwaar ongeluk bij een plek waar mensen naar waardevolle stenen zoeken.

Het is ver van de hoofdstad.

Misschien zijn meer dan honderd mensen dood.’ De klas werd stil.

Je hoorde alleen de verwarming.

Ik had die ochtend dezelfde radio-uitzending gehoord.

De omroeper sprak langzaam, met een ernstige stem.

Een diepe kuil was gevuld met aarde en water na hevige regen.

Veel mannen waren beneden aan het werk geweest.

Hun families stonden nu buiten te wachten.

Amina vertelde dat haar neef Léon in de buurt woont.

Hij verkoopt brood en pinda’s aan mensen die daar werken.

Soms helpt hij met zakken dragen. ‘Hij is geen rijke man,’ zei ze. ‘Maar hij betaalt schoolgeld voor z'n zusje.’ Ik zette de oefening over verleden tijd even opzij.

Er zijn dagen waarop grammatica moet wachten.

Zelfs de verleden tijd begreep dat waarschijnlijk wel. ‘Heb je al contact met Léon gehad?’ vroeg Bram, een cursist uit Voorburg. ‘Nog niet,’ zei Amina. ‘Het netwerk is slecht.

Soms komt een bericht pas uren later.’ We besloten samen een korte tekst te schrijven.

Niet voor internet, maar voor Amina.

Ze wilde woorden hebben voor wat ze voelde.

Dat is ook taal leren.

Je leert niet alleen koffie bestellen.

Je leert ook spreken als het moeilijk is.

Op het bord schreef ik: ‘Ik ben bang, omdat ik nog niets weet.’ Daarna schreef ik: ‘Ik hoop dat er snel duidelijkheid komt.’ Amina las de zinnen hardop.

Haar stem trilde, maar ze bleef praten.

In de pauze liep ik naar buiten.

De regen was gestopt, maar de stoep glansde nog.

Bij de bakker kocht ik krentenbollen.

De verkoopster vroeg of ik er boter bij wilde.

Ik zei ja, want zonder boter voelt een krentenbol als huiswerk.

Ze lachte, en ik lachte terug.

Toch bleef het verhaal uit Afrika in het hoofd zitten.

Toen ik terugkwam, zat Amina bij het raam.

Ze hield de telefoon met twee handen vast. ‘Nog niets,’ zei ze.

We oefenden daarna met zinnen in de voltooide tijd. ‘Ik heb gewacht.’ ‘Zij heeft gebeld.’ ‘Wij hebben gehoopt.’ De woorden pasten te goed bij de dag.

De groep sprak rustig, zonder veel lawaai.

Niemand klaagde over de regen.

Dat was bijna een wonder in Nederland.

Aan het eind van de middag ging de telefoon van Amina.

Ze stond meteen op.

Haar gezicht werd strak.

Ze luisterde lang.

Daarna ging ze zitten en legde haar hand op de tafel. ‘Léon leeft,’ zei ze. ‘Hij was gisteren ziek.

Daarom is hij thuis gebleven.’ Niemand wist direct wat te zeggen.

Bram ademde hoorbaar uit.

Een andere cursist, Lina, gaf Amina een glas water.

Ik voelde vreugde voor haar, maar ook verdriet voor anderen.

Want veel families hadden nog geen goed bericht gekregen.

Amina keek naar de klas. ‘Ik ben blij,’ zei ze. ‘Maar ik schaam me ook een beetje, omdat anderen wachten.’ ‘Dat hoef je niet,’ zei ik. ‘Blij zijn mag.

Verdriet voelen mag ook.

Soms passen die twee in dezelfde minuut.’ Ze knikte.

Buiten kwam een beetje zon door de wolken.

Het licht lag op de natte straat, zacht en geel.

Een tram reed voorbij met een piepend geluid.

Een man rende erachteraan, verloor bijna een schoen, en miste de tram toch.

Het leven deed gewoon verder, ook als dat vreemd voelde.

Voor de volgende les maakten we een plan.

Amina wilde een korte brief schrijven aan haar tante.

De klas wilde helpen met simpele Nederlandse zinnen.

Ook zouden we een kaart maken, met namen van mensen uit de groep.

Geen grote woorden, gewoon aandacht.

Die avond fietste ik naar het station.

De lucht rook naar regen en warme friet.

Ik dacht aan Léon, aan Amina, en aan de families bij dat diepe gat.

Sommige gebeurtenissen zijn ver weg op de kaart.

Toch kunnen ze opeens naast je zitten in een klaslokaal.

Thuis zette ik de tas neer en keek naar de lege broodzak.

Er zat nog één krentenbol in, plat gedrukt tussen boeken.

Ik at hem toch op.

Hij smaakte naar rozijnen, boter en een lange dag.

Daarna schreef ik in het lesboek: taal is soms een brug.

Morgen zouden we weer beginnen, rustig en samen.

Tot de volgende keer.

Volledig transcript · gratis

Log in voor quiz, flashcards, chat en PDF

0:00

Tekst

Modus

Audio

Pauze