Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

De Kapellekensbaan: een straat, een droom, een leven

Stel je voor, je staat in een smalastraat, de huizen zijn oud en schreef.

De lucht is grijs van de rook van de fabriek.

Kinderen spelen op straat, vrouwen hangen de wasbuiten.

Mannen lopen met hun broodtrommels naar hun werk.

Dit is de Capellacansbaan.

Een straat in een klein flamstadje ergens rond het begin van de twintigste eeuw.

Hier begint het verhaal dat Louis Paul Bonn in 1953 opschreef.

De titel is simpel, de Capellacansbaan.

Maar het boek is alles behalve simpel.

Het is een roman die je meeneent naar een wereld van armoeden, droomen en kleine rampen.

En het is ook het verhaal van een schrijver die zijn eigen boek in de warstuurd.

Vandaag vertel ik je het verhaal.

In gewone taal in ongeveer twintig minuten, zoals jij het boek leert kennen.

Ook als je nog niet zo lang Nederlands leert.

De Capellacansbaan ligt in een stadje dat lijkt op aast.

Daar komt Bonn zelf van daan.

Het is een arbeidersbuurd.

De mensen werken in de fabriek of in de tekstiel.

Ze hebben weinig geld, ze hebben veel kinderen en ze hebben hoop.

Die hoop is soms klein.

In deze straat wonen veel personages, maar het verhaal draait om één familie, de familie van ondienen.

Ondienen is nog een meisje als het boek begint.

Ze is nieuwsgierig en eigenwijs.

Ze wil meer dan dit leven.

Ze kijkt naar de reiken mensen in het dorp.

Dan denkt ze, waarom zij wel en ik niet?

haar moeder is streng en moe, haar vader is vaak weg.

Ondienen leert al vroeg dat je voor jezelf moet zorgen.

Dat maakt haar sterk, maar ook hart.

haar keuzes bepalen de rest van het boek.

Dat merkt je al snel.

Ze kijkt naar de huizen van de reiken.

Ze ziet hun net te kleren, ze hoort hoe ze praten, ze wil dat ook, maar ze weet dat ze het niet krijgt.

haar moeder zegt dat ze moet werken, haar vader zegt bijna niets.

Ondienen zegt niets terug, ze slikt het in.

Ze leert om haar mond te houden, ze leert om te wachten.

Maar van binnen blijft ze kijken.

Ze blijft denken aan een ander leven.

Dat verlangen gaat nooit weg.

Het zit in alles wat ze doet.

Naast ondienen zijn er nog veel andere stemmen.

Er is een verteller die af en toe zijn eigen verhaal onderbrekt.

Hij heet ook een beetje bon de schrijver.

Hij zit achter zijn type machine en praat tegen de laser.

Hij zegt dingen als, ik weet niet of dit een roman is of een hoop papier.

Hij twijfelt, hij werd boos.

Hij wil een boek schrijven over de arbeiders, maar hij wil ook beroemd worden.

Die twee dingen botzen.

En dat maakt het boek bijzonder.

Je leest het verhaal van de straat, maar je leest ook het verhaal van het schrijven zelf.

Als of je naar een toneelstuk kijkt en tegelijk de regisseur hoort moppere achter de koelissen.

De schrijver stopt soms midden in een zin.

Dan zegt hij dat het zo niet goed is.

Hij typt verder, hij typt weer, hij schrapt een woord, hij schrijft het opnieuw, hij kijkt naar buiten.

De straat is still.

Dan begint hij weer.

Hij wil eerlijk zijn over de arbeiders, maar hij wil ook dat mensen zijn boek kopen.

Dat is moeilijk samen.

Hij wordt er moe van.

Toch gaat hij door, want hij heeft iets te vertellen.

En hij weet dat niemand anders het vorm doet.

Maar de kern is het leven van ontdienen.

Laten we bij het begin beginnen.

Ondienen is nog jong.

Ze woont met haar familie in de kapelekkensbaan.

Ze is niet rijk, maar ze is slim.

Ze leert snel.

Ze ziet hoe de wereld in elkaar zit.

De rijke hebben het geld, de armen hebben het werk.

Op een dag ontmoet ze een jongen uit een betere familie.

Hij heet niet belangrijk, maar hij is anders.

Hij rupt naar zeep, zijn kleren zijn netjes.

Hij praat met mooie woorden.

Ondienen raakt in de war.

Ze wil hem, maar ze wil ook wat hij heeft.

Een leven zonder zorgen.

Ze begint te dromen.

En dromen zijn gevaarlijk in een straat waar niemand ooit iets krijgt.

De jongen praat tegen haar.

Hij lacht.

Hij kijkt naar haar.

Ondine lacht terug.

Ze voelt zich even anders.

Ze voelt zich even rijk.

Ze vergeet de straat.

Ze vergeet de fabriek.

Ze ziet alleen hem.

Hij zegt dat ze mooi is.

Ze gelooft het bijna.

Ze loopt met hem mee.

Ze praat met hem.

Ze droomt met hem.

Maar ze weet ook dat het niet kan.

Hij hoort niet bij haar.

Zij hoort niet bij hem.

Toch gaat ze door, want de droom is sterker dan de straat.

Ondine staat in de keuken van haar moeder.

Ze houdt haar handen op haar buik.

Ze voelt iets wat ze niet kan benoemen.

Haar moeder kijkt op van de teil met wasgoed.

Ze ziet het gezicht van haar dochter.

Ze zegt niets.

Maar haar handen stoppen met bewegen.

Ondine zegt zacht: ik ben zwanger.

De kamer wordt stil.

Buiten roept een kind.

De jongen uit de betere familie is niet gekomen.

Hij is weg.

Naar een andere stad, naar een ander leven.

Zijn nette kleren en mooie woorden zijn verdwenen.

Ondine staat alleen in de keuken.

Haar moeder begint te huilen.

De buren zullen het snel weten.

In deze straat blijft niets geheim.

Het is begin twintigste eeuw.

Een meisje zonder man met een kind is een schande.

De vrouwen op straat zullen fluisteren.

De pastoor zal zijn hoofd schudden.

Ondine kijkt naar de vloer en voelt de schaamte als een steen op haar borst.

Ondine kruipt niet weg.

Ze veegt haar ogen droog en zegt tegen haar moeder.

Ik ga door.

Ze trouwt met een arbeider.

Hij is stil en werkt hard.

Ze houdt niet echt van hem, maar hij geeft haar een naam en een huis.

De bruiloft is klein.

Er is geen feest.

De buren kijken door hun gordijnen.

Ondine bouwt een leven op in de Kapellekensbaan.

Ze wast, ze kookt, ze werkt.

Maar haar droom blijft.

Ze wil dat haar kind het beter krijgt dan zij.

Als de baby komt, noemt ze hem Mozes.

Ze fluistert de naam in zijn oor.

Een naam vol hoop.

De jongen die zijn volk naar het beloofde land leidt.

Ze kijkt naar het kleine gezicht en denkt, jij zult niet worden zoals wij.

Mozes groeit op in de smalle straat.

Hij is een jongen met een grote mond en een klein hart.

Hij rent met de andere kinderen over de kasseien.

Hij lacht hard en vecht soms.

Maar thuis is zijn moeder stil en streng.

Ze kijkt naar hem met ogen vol verwachting.

Ze zegt, jij moet het beter doen dan ik.

Moses knikt, maar hij voelt de druk op zijn schouders.

Hij gaat naar school.

Hij leest boeken bij het lamplicht.

Hij droomt van een leven als schrijver of als held.

Hij stelt zich voor dat hij ver weg woont in een huis zonder rook.

Maar de straat trekt aan hem.

Zijn vrienden zijn ruw en roepen hem.

Zijn vader zit zwijgend bij het raam.

En de fabriek wacht altijd met hooggeschoorstenen en donkere poorten.

Moses probeert te klimmen.

Hij leert snel en leest veel.

Maar elke stap vooruit voelt zwaar.

Zijn vrienden lachen als...

Even tussen door.

Bedankt voor het luisteren.

Reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram.

Dan stuur ik je een speciale kortingskode voor de interactieve versie van deze aflevering.

Veel plezier verder met het verhaal.

Hij zit met een boek op zijn knieën.

Zijn vader zegt niets als hij over school praat.

De meester zegt dat hij talent heeft, maar dat kost geld.

De fabriek is dichtbij en geeft werk.

De straat houdt hem vast met kleine handen.

Boon laat zien hoe moeilijk het is om uit je milieu te klimmen.

Niet omdat je niet wilt,

maar omdat alles om je heen je terugtrekt.

Mozes voelt dat.

Hij wil weg, maar de straat wil hem niet laten gaan.

In de straat gaat het leven gewoon door.

Er is een feest in de zomer.

De mensen dansen op muziek uit een oude accordeon.

Er is ruzie tussen twee buren over een kapotte emmer.

Er is liefde tussen een jongen en een meisje achter de kerk.

En er is dood als een oude man niet meer wakker wordt.

Boon vertelt al die kleine verhalen.

Over een buurvrouw die te veel drinkt en luid zingt.

Over een man die zijn baan verliest en stil naar huis loopt.

Over een pastoor die preekt over geduld terwijl de mensen honger hebben.

Je ruikt de kolen uit de kachels.

Je hoort de machines van de fabriek.

Je ziet de kinderen op blote voeten in de modder.

Die kleine verhalen maken de wereld echt.

De fabriek groeit en de schoorstenen roken dag en nacht.

Er komen nieuwe huizen bij aan de rand van het stadje.

Er komen ook meer mensen wonen.

Mensen van buiten die werk zoeken.

De straat wordt voller en lawaaieriger dan vroeger.

De arbeiders staan vroeg op en lopen in het donker naar de poort.

Ze werken langer dan vorig jaar, maar hun loon blijft even klein.

De baas rijdt in een nieuwe wagen door de straat en groet niemand.

De mensen kijken hem na en zeggen niets.

Ondine staat bij het raam en ziet hoe de rook boven de daken hangt.

Ze denkt aan Mozes en hoopt dat hij later niet in diezelfde poort hoeft te staan.

De buurman koopt elke week een lot en droomt hardop van een huis met een tuin.

Een andere buurvrouw hoopt op een betere baan voor haar zoon bij de baas.

Ondine hoopt op een betere toekomst voor Mozes en zegt dat tegen hem als hij aan tafel zit.

Mozes hoopt op een leven buiten de straat en praat daar vaak over met zijn vrienden.

Iedereen hoopt elke dag opnieuw, ook als er niets verandert.

De hoop is soms dom, want de loterij wint bijna nooit iemand.

Toch blijven de mensen loten kopen en blijven ze dromen.

Zonder die hoop zouden ze de ochtend niet doorkomen.

De straat leeft van hoop, ook al wordt die hoop zelden beloond.

Moses wordt ouder en zijn stem wordt harder.

Hij wil niet meer de jongen zijn die alles goed moet doen.

Hij blijft weg van huis en komt laat thuis met de geur van bier aan zijn kleren.

Hij liegt tegen zijn moeder over waar hij was.

Hij vecht met jongens op straat en komt thuis met een kapotte lip.

Ondine ziet het en het doet pijn aan haar hart.

Ze heeft alles opgegeven voor hem en nu lijkt het alsof hij het weggooit.

Op een avond staat ze in de keuken en ze zegt dat hij moet stoppen.

Hij antwoordt kort en draait zich om.

Ze pakt hem bij zijn arm en houdt hem tegen.

Dan begint het.

Ze schreeuwt tegen hem en hij schreeuwt terug.

De buren horen het door de dunne muren.

De straat hoort het en de mensen kijken naar het huis.

Het is een gevecht tussen twee mensen die van elkaar houden, maar elkaar niet begrijpen.

Mozes gooit de deur dicht en loopt de straat op.

Ondine blijft alleen achter in de keuken en haar handen trillen.

Ze gaat zitten en kijkt naar de tafel waar hij altijd zat.

Die nacht slaapt ze niet en ze hoort de fabriek al beginnen.

Ze weet dat ze hem niet kan tegenhouden.

Ze weet ook dat ze toch zal proberen.

Het verhaal loopt niet netjes af en dat moet je weten.

Boon houdt niet van mooie eindes en geeft de lezer geen troost.

Mozes vindt geen geluk en dwaalt door de straat zonder richting.

Ondine krijgt niet wat ze wil en ziet haar droom langzaam breken.

De straat blijft de straat, met dezelfde huizen en dezelfde rook.

De fabriek blijft draaien en de mensen blijven werken.

Toch is er wel iets veranderd in dat huis aan de Kapellekensbaan.

Moses heeft geleerd wie hij is, ook al is die kennis hard.

Ondine heeft geleerd dat je een kind niet kunt maken tot wat je zelf wilt zijn.

Ze kijkt naar buiten en ziet dezelfde straat als vroeger.

De schrijver zit achter zijn typemachine en kijkt naar het papier.

Hij heeft zijn boek afgemaakt, ook al twijfelde hij vaak.

Hij heeft de straat een stem gegeven met alle lawaai en alle ruzie.

Dat is misschien wel de echte overwinning.

Niet het geld, niet de roem maar het verhaal zelf.

De mensen van de kapelekinsbaan bestaan nu in een boek en ze kunnen niet meer vergeten worden.

Hij typt de laatste woorden en slaat de machine uit.

Buiten is het stil en de mensen slapen.

Morgen begint de fabriek weer en gaat alles door zoals altijd.

Maar het verhaal blijft in een boek voor altijd.

De mensen in de straat hopen de hele tijd, maar ze worden zelfde gelukkig.

Ondine hoopt op een betere toekomst voor Mozes.

Mozes hoopt op een leven buiten de straat.

De buurman hoopt op een lot uit de loterij.

Iedereen hoopt, elke dag opnieuw, toch veranderd er weinig in hun leven.

De fabriek blijft roken, de huur moet worden betaald, het geld blijft schaars.

Die hoop houdt hen wel op de benen.

Zonder hoop zouden ze verdrinken in de arm moeden.

Maar hoop is niet hetzelfde als geluk.

Je kunt niet ontsnappen aan je afkomst, maar je kunt er wel over vertellen.

Bon laat zien dat een verhaal over een armestraat net zo belangrijk is als een verhaal over koningen.

Misschien wel belangrijker, omdat het over ons gaat.

De mensen in dit boek werken, lachen, huilen en dromen.

Ze vallen en ze staan weer op.

Hun verhaal wordt opgeschreven en blijft er door bestaan.

Dat is wat Boon met dit boek doet.

Hij geeft de straat een stem, ruw en eerlijk.

En daardoor vergeten we deze mensen niet meer.

Aan het einde van het boek zitten schrijver achter zijn typemaschinen.

Hij kijkt naar buiten, de straat is still, de mensen slapen.

Morgen begint de fabriek weer.

Maar hij heeft iets gedaan, hij heeft ze opgeschreven en daardoor leven ze voort.

Dat is de kracht van literatuur.

Je kunt een leven lang werken in een fabriek en vergeten worden.

Maar als iemand je verhaal vertelt blijft je bestaan.

De kapelikensbaan is een roman over vergeten mensen die niet vergeten willen worden.

En Bon heeft ze een stem gegeven, ruw en eerlijk, met humor en woede.

Daarom is dit boek de moeite waard.

Het is geen mooi verhaal, maar het is een waar verhaal.

En soms is dat beter.

Als je dit boek leest, zullen je merken dat het anders is dan andere romanes.

Het springt, het onderbrekt, het verrast.

Maar als je doorzet, krijg je een wereld die je niet snel vergeten.

Een straat met mensen die lachen en huilen, die werken en dromen, die vallen en opstaan.

Dat is de Kapellekensbaan.

En nu weet jij waar het over gaat.

Wil je de tekst meelezen en woorden opzoeken?

Dat kan op Dutchfluency.com slash transcripts, waar je op elk woord kunt ticken voor een vertaling.

0:00
Settings

Text

Mode

Audio

Pause