

Audio1x
Snelheid
Pauze
OefenenLees
Modus
Woordenschat
Ik ben een man. Ik werk lang bij een bedrijf. Het bedrijf is groot. Ik werk er 25 jaar.
Dat is heel lang. Ik werk nu niet meer. Ik heb kanker. Dat is heel slecht.
Er is een feest. Het feest is met kerst. Het feest is in het bedrijf. Het feest is voor mij.
Het is mijn afscheid. Ik ga naar het feest. Ik kom op het feest. Het is druk. Er zijn veel mensen.
Ik zie mijn baas. De baas is een man. Hij is het hoofd van mijn afdeling. De baas zegt niet tegen mij.
Dat is niet leuk. Ik ben boos. Ik zie een andere man. De man is een manager. Ik vind de manager goed.
De manager geeft mijn cadeau. Het cadeau is een nacht in een hotel. Dat is leuk. Ik ga naar het hotel.
Ik ben blij in het hotel. Maar er is iets belangrijk. Ik wil afscheid nemen van mijn collega's.
Dat is heel belangrijk voor mij. Maar het gebeurt niet. Ik kan geen afscheid nemen. Dat is heel slecht.
Ik zegt tegen de baas. Zorg voor een goed afscheid. Een afscheid is belangrijk. Het is vooral belangrijk
voor mensen die lang werken. Ik ben nu thuis. Ik heb geen werk meer. Ik denk aan mijn collega's. Ik denk aan het feest.
Het feest was niet goed. Ik ben niet blij. Maar ik ben ook niet boos meer. Ik zeg, houdoe en vooral niet bedankt.
OefenenLees
Tekst
Modus
Audio
Pauze