Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Het rode petje in het Haagse Bos

Ik ben Rick, een leraar uit Den Haag.

Vandaag is het woensdag en geef ik vroeg les.

Mijn leerlingen leren woorden over reizen en winkelen.

Op het bord staat een grote rode fiets.

Mijn fiets is blauw, maar mijn rode pen werkt goed.

Een leerling vraagt kan die fiets ook vliegen.

Alleen op papier, zeg ik, iedereen lacht.

Na mijn werk ga ik naar een kleine supermarkt.

Ik koop brood, kaas en twee appels.

Bij de kassa zoek ik mijn geld.

Het zit onder een appel in mijn tas.

Uw appel betaalt niet, zegt de man achter de kassa.

Nee, hij heeft geen werk, zeg ik.

Buiten eet ik een stukje brood.

Daarna loop ik door het Haagse Bos naar huis.

De lucht is blauw en de bomen zijn groen.

Op het pad liggen bruine bladeren.

Mijn schoenen maken geluid op de kleine stenen.

Ik ruik nat gras en eet mijn brood.

Een hond loopt met een bal in zijn mond.

Zijn vrouw draagt een lege tas.

Bij een bank zitten twee jongens met schooltassen.

Een jongen draagt een rode pet.

De andere jongen heeft een blauwe jas aan.

Ze praten over een toets op school.

Ik ken alle antwoorden, zeg de jongen met de pet.

Maar zijn het ook de goede antwoorden?

Vraagt zijn vriend.

Ik lach even en loop verder.

Dan hoor ik een harde stem achter mij.

Ik draai mijn hoofd en kijk naar de bank.

Drie jongens staan nu voor de twee vrienden.

Een van hen trekt aan de rode pet.

Een andere jongen slaat de jongen met de blauwe jas.

Ook de jongen met de pet krijgt een slag.

Daarna rennen de drie weg over het pad.

Ik blijf even staan en kijk naar de twee jongens.

De jongen met de blauwe jas houdt zijn arm vast.

Bedankt voor het luisteren.

Reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram.

Dan stuur ik je een speciale kortingskode voor de interactieve versie van deze aflevering.

Veel plezier verder met het verhaal.

De jongen met de blauwe jas houdt zijn arm vast.

Zijn vriend zit op de bank en huilt.

Ik loop naar hen toe.

Ik heet Rick zeg ik.

Hoe heten jullie?

Ik ben Bas zegt de jongen met de pet.

Zijn vriend heet Daan.

Ik vraag waar ze pijn hebben.

Mijn arm doet pijn, zeg Daan.

Bas wijst naar zijn wang.

Ik pak mijn telefoon en bel de politie.

Ik noem het Haagse Bos en beschrijf de plek.

De bank staat naast een groot bord met een kaart.

Blijf daar, zeg de vrouw aan de telefoon.

Ik blijf bij Bas en Daan.

De vrouw met de hond komt ook naar de bank.

Ze geeft Bas een papieren zakdoek.

Haar hond gaat naast haar voeten zitten.

Heb je iets gezien?

Vraag ik haar?

Ik zag drie jongens rennen, zegt ze.

Een jongen had een gele jas aan.

Ik zag die gele jas ook.

We kijken naar het pad, maar zien niemand.

Even later komt de politie naar de bank.

Een man vraagt naar de pijn van de jongens.

Een vrouw stelt mij vragen over de drie jongens.

Ik beschrijf hun kleding en vertel over de slagen.

De vrouw met de hond noemt ook de gele jas.

De politie zoekt mensen die meer hebben gezien.

Bas belt zijn moeder en geeft mij de telefoon.

Ik vertel haar waar wij zijn.

Even later komt zij met de vader van Daan.

Ze nemen de jongens mee naar de dokter.

Bas zet zijn rode pet weer op.

Daan draagt zijn tas met zijn andere arm.

Ik geef hun ouders mijn naam en telefoonnummer.

Thuis zet ik mijn tas op tafel.

Mijn brood is plat, maar de appels zijn heel.

Ik maak thee en ga zitten.

Ik denk aan Bas, Daan en hun schooltassen.

Morgen geef ik weer les over gewone dingen.

Maar vandaag blijft die bank in mijn hoofd.

Ik ben blij dat hun ouders bij hen zijn.

Bedankt voor het luisteren naar Dutch Fluency.

Op Dutchfluency.com vind je de transcript en oefeningen.

Spreek Nederlands, zelfs als je stottert. Tot de volgende keer.

0:00
Aanpassen

Tekst

Modus

Audio

Pauze