Dutch Fluency
Mein Niveau findenNiveau
Anmelden

Niveau A1 · Unregelmäßig

Nemen konjugieren

nemen = nehmen

Infinitiv
nemen
Präteritum
nam · namen
Perfekt
heeft genomen

Kurze Antwort

Nemen bedeutet nehmen. Präteritum: nam (Singular) und namen (Plural). Partizip Perfekt: genomen, mit hebben: ik heb genomen.

nemen üben

Präsens (tegenwoordige tijd)

ikneem
jijneemt
hij/zij/hetneemt
wijnemen
jullienemen
zijnemen

Präteritum (verleden tijd)

iknam
jijnam
hij/zij/hetnam
wijnamen
jullienamen
zijnamen

Perfekt (voltooide tijd)

ikheb genomen
jijhebt genomen
hij/zij/hetheeft genomen
wijhebben genomen
julliehebben genomen
zijhebben genomen

Plusquamperfekt (voltooid verleden tijd)

ikhad genomen
jijhad genomen
hij/zij/hethad genomen
wijhadden genomen
julliehadden genomen
zijhadden genomen

Futur (toekomende tijd)

ikzal nemen
jijzult nemen
hij/zij/hetzal nemen
wijzullen nemen
julliezullen nemen
zijzullen nemen

Konditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou nemen
jijzou nemen
hij/zij/hetzou nemen
wijzouden nemen
julliezouden nemen
zijzouden nemen

nemen üben

Sechs kurze Formen. Tippe die Antwort, drücke Enter und sieh sofort, ob sie stimmt.

1 von 60 ✓

Präsens

ik

So funktioniert dieses Verb

  • Unregelmäßiges Verb: Präteritum und Partizip folgen nicht dem regelmäßigen Muster mit -te/-de, also lerne die drei Formen zusammen: nemen, nam, genomen.
  • Steht jij hinter dem Verb, fällt das -t weg: jij neemt, aber neem jij?

Fragen zu niederländischen Verben

Was ist das Präteritum von nemen?

nam (ik, jij, hij/zij/het) und namen (wij, jullie, zij).

Was ist das Partizip Perfekt von nemen?

genomen, mit hebben: ik heb genomen.

Wird nemen mit hebben oder zijn gebildet?

Mit hebben: ik heb genomen, hij heeft genomen.

Weitere Verben

Alle VerbenAlle Verben von A bis ZTrennbare Verben: Regeln und PrüferDe-oder-het-Prüfer

Willst du nicht mehr alles nachschlagen?

Der kostenlose Einstufungstest zeigt, wo dein Niederländisch steht und was du als Nächstes lernst.

Formen mit Wiktionary abgeglichen. Zusammengesetzte Zeiten nutzen die festen Formen von hebben, zijn, zullen und zou.