Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Regular

Praten conjugation

praten = to talk

Infinitive
praten
Past
praatte · praatten
Perfect
heeft gepraat

Quick answer

Praten means to talk. Past tense: praatte (singular) and praatten (plural). Past participle: gepraat, with hebben: ik heb gepraat.

Practise praten

Present (tegenwoordige tijd)

ikpraat
jijpraat
hij/zij/hetpraat
wijpraten
julliepraten
zijpraten

Past (verleden tijd)

ikpraatte
jijpraatte
hij/zij/hetpraatte
wijpraatten
julliepraatten
zijpraatten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gepraat
jijhebt gepraat
hij/zij/hetheeft gepraat
wijhebben gepraat
julliehebben gepraat
zijhebben gepraat

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gepraat
jijhad gepraat
hij/zij/hethad gepraat
wijhadden gepraat
julliehadden gepraat
zijhadden gepraat

Future (toekomende tijd)

ikzal praten
jijzult praten
hij/zij/hetzal praten
wijzullen praten
julliezullen praten
zijzullen praten

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou praten
jijzou praten
hij/zij/hetzou praten
wijzouden praten
julliezouden praten
zijzouden praten

Practise praten

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is praat. The infinitive praten has t before -en, one of the sounds in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -te (praatte, praatten) and the participle ends in -t (gepraat).

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of praten?

praatte (ik, jij, hij/zij/het) and praatten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of praten?

gepraat, with hebben: ik heb gepraat.

Is praten used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gepraat, hij heeft gepraat.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.