Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Irregular

Conjugación de Geven

geven = dar

Infinitivo
geven
Pasado
gaf · gaven
Perfecto
heeft gegeven

Respuesta rápida

Geven significa dar. Pasado: gaf (singular) y gaven (plural). Participio: gegeven, con hebben: ik heb gegeven.

Practica geven

Presente (tegenwoordige tijd)

ikgeef
jijgeeft
hij/zij/hetgeeft
wijgeven
julliegeven
zijgeven

Pasado (verleden tijd)

ikgaf
jijgaf
hij/zij/hetgaf
wijgaven
julliegaven
zijgaven

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gegeven
jijhebt gegeven
hij/zij/hetheeft gegeven
wijhebben gegeven
julliehebben gegeven
zijhebben gegeven

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gegeven
jijhad gegeven
hij/zij/hethad gegeven
wijhadden gegeven
julliehadden gegeven
zijhadden gegeven

Futuro (toekomende tijd)

ikzal geven
jijzult geven
hij/zij/hetzal geven
wijzullen geven
julliezullen geven
zijzullen geven

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou geven
jijzou geven
hij/zij/hetzou geven
wijzouden geven
julliezouden geven
zijzouden geven

Practica geven

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: geven, gaf, gegeven.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij geeft, pero geef jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de geven?

gaf (ik, jij, hij/zij/het) y gaven (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de geven?

gegeven, con hebben: ik heb gegeven.

¿El verbo geven va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gegeven, hij heeft gegeven.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.