Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Irregular

Conjugación de Klinken

klinken = sonar

Infinitivo
klinken
Pasado
klonk · klonken
Perfecto
heeft geklonken

Respuesta rápida

Klinken significa sonar. Pasado: klonk (singular) y klonken (plural). Participio: geklonken, con hebben: ik heb geklonken.

Practica klinken

Presente (tegenwoordige tijd)

ikklink
jijklinkt
hij/zij/hetklinkt
wijklinken
jullieklinken
zijklinken

Pasado (verleden tijd)

ikklonk
jijklonk
hij/zij/hetklonk
wijklonken
jullieklonken
zijklonken

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geklonken
jijhebt geklonken
hij/zij/hetheeft geklonken
wijhebben geklonken
julliehebben geklonken
zijhebben geklonken

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geklonken
jijhad geklonken
hij/zij/hethad geklonken
wijhadden geklonken
julliehadden geklonken
zijhadden geklonken

Futuro (toekomende tijd)

ikzal klinken
jijzult klinken
hij/zij/hetzal klinken
wijzullen klinken
julliezullen klinken
zijzullen klinken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou klinken
jijzou klinken
hij/zij/hetzou klinken
wijzouden klinken
julliezouden klinken
zijzouden klinken

Practica klinken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: klinken, klonk, geklonken.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij klinkt, pero klink jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de klinken?

klonk (ik, jij, hij/zij/het) y klonken (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de klinken?

geklonken, con hebben: ik heb geklonken.

¿El verbo klinken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geklonken, hij heeft geklonken.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.