Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Irregular

Conjugación de Worden

worden = llegar a ser

Infinitivo
worden
Pasado
werd · werden
Perfecto
is geworden

Respuesta rápida

Worden significa llegar a ser. Pasado: werd (singular) y werden (plural). Participio: geworden, con zijn: ik ben geworden.

Practica worden

Presente (tegenwoordige tijd)

ikword
jijwordt
hij/zij/hetwordt
wijworden
jullieworden
zijworden

Pasado (verleden tijd)

ikwerd
jijwerd
hij/zij/hetwerd
wijwerden
julliewerden
zijwerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikben geworden
jijbent geworden
hij/zij/hetis geworden
wijzijn geworden
julliezijn geworden
zijzijn geworden

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikwas geworden
jijwas geworden
hij/zij/hetwas geworden
wijwaren geworden
julliewaren geworden
zijwaren geworden

Futuro (toekomende tijd)

ikzal worden
jijzult worden
hij/zij/hetzal worden
wijzullen worden
julliezullen worden
zijzullen worden

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou worden
jijzou worden
hij/zij/hetzou worden
wijzouden worden
julliezouden worden
zijzouden worden

Practica worden

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: worden, werd, geworden.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij wordt, pero word jij?
  • Perfecto con zijn: ik ben geworden, no ik heb geworden.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de worden?

werd (ik, jij, hij/zij/het) y werden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de worden?

geworden, con zijn: ik ben geworden.

¿El verbo worden va con hebben o con zijn?

Con zijn: ik ben geworden, hij is geworden.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.