Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Irregular

Doen conjugation

doen = to do

Infinitive
doen
Past
deed · deden
Perfect
heeft gedaan

Quick answer

Doen means to do. Past tense: deed (singular) and deden (plural). Past participle: gedaan, with hebben: ik heb gedaan.

Practise doen

Present (tegenwoordige tijd)

ikdoe
jijdoet
hij/zij/hetdoet
wijdoen
julliedoen
zijdoen

Past (verleden tijd)

ikdeed
jijdeed
hij/zij/hetdeed
wijdeden
julliededen
zijdeden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gedaan
jijhebt gedaan
hij/zij/hetheeft gedaan
wijhebben gedaan
julliehebben gedaan
zijhebben gedaan

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gedaan
jijhad gedaan
hij/zij/hethad gedaan
wijhadden gedaan
julliehadden gedaan
zijhadden gedaan

Future (toekomende tijd)

ikzal doen
jijzult doen
hij/zij/hetzal doen
wijzullen doen
julliezullen doen
zijzullen doen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou doen
jijzou doen
hij/zij/hetzou doen
wijzouden doen
julliezouden doen
zijzouden doen

Practise doen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: doen, deed, gedaan.
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij doet, but doe jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of doen?

deed (ik, jij, hij/zij/het) and deden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of doen?

gedaan, with hebben: ik heb gedaan.

Is doen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gedaan, hij heeft gedaan.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.