Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Onregelmatig

Vervoeging van Winnen

winnen = to win

Hele werkwoord
winnen
Verleden tijd
won · wonnen
Voltooide tijd
heeft gewonnen

Kort antwoord

Winnen is in het Engels to win. Verleden tijd: won (enkelvoud) en wonnen (meervoud). Voltooid deelwoord: gewonnen, met hebben: ik heb gewonnen.

Oefen winnen

Tegenwoordige tijd

ikwin
jijwint
hij/zij/hetwint
wijwinnen
julliewinnen
zijwinnen

Verleden tijd

ikwon
jijwon
hij/zij/hetwon
wijwonnen
julliewonnen
zijwonnen

Voltooide tijd

ikheb gewonnen
jijhebt gewonnen
hij/zij/hetheeft gewonnen
wijhebben gewonnen
julliehebben gewonnen
zijhebben gewonnen

Voltooid verleden tijd

ikhad gewonnen
jijhad gewonnen
hij/zij/hethad gewonnen
wijhadden gewonnen
julliehadden gewonnen
zijhadden gewonnen

Toekomende tijd

ikzal winnen
jijzult winnen
hij/zij/hetzal winnen
wijzullen winnen
julliezullen winnen
zijzullen winnen

Voorwaardelijke wijs

ikzou winnen
jijzou winnen
hij/zij/hetzou winnen
wijzouden winnen
julliezouden winnen
zijzouden winnen

Oefen winnen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

Zo werkt dit werkwoord

  • Onregelmatig werkwoord: de verleden tijd en het voltooid deelwoord volgen het gewone -te/-de-patroon niet, dus leer de drie vormen samen: winnen, won, gewonnen.
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij wint, maar win jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van winnen?

won (ik, jij, hij/zij/het) en wonnen (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van winnen?

gewonnen, met hebben: ik heb gewonnen.

Gebruik je winnen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gewonnen, hij heeft gewonnen.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.