

Audio1x
Speed
Pause
PracticeRead
Mode
Woordenschat
Stel je voor, je bent jong, je zit op de universiteit en je vader is een bekende verzetsmann.
Iedereen verwacht dat jij ook moedig bent, maar wat als je helemaal niet zeker weet of je dat wel kunt?
Wat als je vader niet de held is die iedereen denkt?
Daarover gaat het boek dat ik vandaag met je besprek.
De Trane der Akacia's van WF Hermans, uit 1949.
Het is één van de berundste Nederlandse romans over de oorlog.
Vandaag vertel ik je het verhaal in ongeveer 20 minuten.
Pak een kop koffie, ga lekker zitten en luister mee.
We schrijven 1944.
Nederland is bezet door Duitsland.
In Amsterdam woont Artur Muta, een student van in de 20.
Hij is niet bepaald een held.
Hij is sloordig, hij ligt graag en hij doet eigenlijk nooit echt iets nuttags.
Zijn vader Otto Muta is een bekende verzetsmann.
Otto helpt onderduikers en mensen die moeten vluchten.
Artur bevondert zijn vader niet echt.
Sterker nog, hij want trouwt hem.
Waarom?
Omdat Otto jaren geleden zijn moeder heeft verlaten voor een andere vrouw.
Artur heeft dat nooit kunnen vergeven.
Artur woont in een klein pensioen in Amsterdam, samen met een paar andere jonge mensen.
Daar ontmoet hij Ellie, een mooi en mysterieus meisje.
Ellie is de vriendin van een van de andere bewoners, maar Artur raakt meteen geopse deert door haar.
Hij wil haar voor zichzelf.
Dat is het begin van een reeks gebeurtenissen die Artur steeds dieper in de probleemen brengen.
Want Ellie is niet zo maar een neetje.
Ze is de dochter van een rijke zakenman die met de duitsers samen werkt.
En ze heeft zo haar eigen geheimen.
Het verhaal begint op een avond in het pensioen.
Artur zit op zijn kamer en verveelt zich.
Hij hoort stemmen beneden.
Hij gaat naar beneden en ziet Ellie staan.
Ze is net terug van een afspraak en ze ziet er gespannen uit.
Artur probeert een gesprek met haar te beginnen, maar ze is kort af.
Even later komt haar vriend binnen, een zekere gus.
Gus is een rustige, serieus jonge die in het verzet zit.
Artur voelt zich meteen minder waardig naast hem.
Maar hij laat het niet merken.
Hij doet als of hij gus aardig vind, terwijl hij hem eigenlijk haat.
De volgende ochtend ligt er een briefje op de mat van het pensioen.
Artur herkend het handschrift van zijn vader meteen.
Otto wil hem spreken, staat er.
Geen uitleg, geen tijd, alleen een adres.
Artur fout het briefje op en stopt het in zijn zak.
Hij twijfelt of hij wel moet gaan.
Maar hij weet dat zijn vader hen niet voor niets roept.
Die middag loopt hij langs de kracht naar het oude pand.
De gevel is grauw en het houdwerk is verrot.
Binnen ruikt het naar stof en oude kranten.
Otto zit aan een tafel bij het raam.
Hij ziet er moe uit met donkere kringen onder zijn ogen.
Hij zegt dat hij hulp nodig heeft.
Er moet iemand naar een adres in de stad om een pakket op te halen.
Het is gevaarlijk werk, zegt Otto.
Artur wil neezeggen, maar de woorden blijven in zijn keel steken.
Hij knikt en zegt ja, meteen daarna heeft hij spijt.
Want Artur is helemaal niet dapper.
Hij is bang om gepakten worden door de duitsers.
Maar hij durft het zijn vader niet te wijgeren.
Hij loopt de trap af en hoort zijn eigen voedstappen in het leegentrapahuis.
Buiten adent hij diep in.
Hij heeft geen idee waar hij aan begonnen is.
De volgende dag gaat Artur naar het adres.
Het is een donker huis in een smalestraat.
De gordijnen zijn dicht en er brand geen licht.
Hij klopt aan en wacht.
Na een tijdje doet een oude vrouw open.
Ze zegt bijna niets.
Ze duwten m'n pakket in handen en sluit de deur weer.
Artur loopt terug naar buiten en voelt zijn hart in zijn keel kloppen.
De straat is leeg, maar hij durft niet om te kijken.
Bij de hoek ziet hij een duitsen patrouwje aankomen.
Twee soldaten lopen langzaam in zijn richting.
Artur blijft rustig lopen en kijkt niet op zijn.
Zijn handen trillen om het pakket.
De soldaten lopen voorbij zonder iets te zeggen.
Artur komt veilig thuis en sluit de deur achter zich.
Hij zet het pakket op tafel en maakt het open.
Er zit een pistol in.
Artur schrikt en doet een stap achteruit.
Hij heeft nog nooit een wapen vastgehouden.
Hij begrijpt nu dat zijn vader hem niet zomaar om hulp vroeg.
Dit is ernstig.
Arthur besluit het pistool niet aan zijn vader te geven.
Hij houdt het zelf.
Hij denkt dat hij het misschien nodig heeft.
Met het wapen in zijn buurt voelt hij zich machtiger, maar hij is ook bang.
Hij verstopt het onder zijn bed, tussen zijn kleren.
Daarna gaat hij op de rand van het bed zitten en staart naar de vloer.
De dagen daarna kan hij aan niets anders denken.
Hij slaapt slecht en wordt wakker van elk geluid op de trap.
Overdag is hij prikkelbaar en kortaf tegen de andere bewoners.
Elly merkt dat er iets aan de hand is.
Ze vraagt hem wat er is.
Arthur kijkt weg en liegt.
Hij zegt dat hij gewoon moe is.
Elly knikt, maar ze gelooft hem niet.
Arthur voelt dat ze hem doorheeft.
Toch zegt hij niets.
Zo begint Arthurs leven vol leugens.
Guus loopt de gang van het pension in en uit.
Hij kijkt steeds over zijn schouder als hij de trap op gaat.
Zijn handen trillen als hij zijn koffiekopje neerzet.
Arthur ziet het vanuit zijn kamer en doet de deur open.
Guus blijft staan en zegt zacht dat hij iemand moet ontmoeten.
Het is vanavond aan de rand van de stad.
Hij durft niet te gaan, zegt hij.
Hij is bang dat er iemand achter hem aan loopt.
Arthur kijkt hem aan en zegt dat hij wel kan gaan.
Guus kijkt verbaasd op.
Arthur haalt zijn schouders op en zegt dat hij Guus wil helpen.
Maar in zijn hoofd denkt hij iets anders.
Als Guus in de problemen komt, is Elly alleen.
Dat is een gemene gedachte, en Arthur weet het.
Gus geeft hem een adres op een papiertje.
Arthur stopt het in zijn zak en zegt dat hij het regelt.
Guus bedankt hem en gaat naar boven.
Arthur blijft alleen achter in de gang.
Hij voelt zich even sterk, alsof hij iets belangrijks doet.
Maar diep van binnen weet hij dat het niet waar is.
Hij helpt Guus niet.
Hij gebruikt hem.
De volgende ochtend vertrekt Arthur naar het café.
Hij zegt niets tegen Guus.
Hij zegt niets tegen Elly.
Hij loopt alleen de deur uit met het papiertje in zijn hand.
Het café is klein en donker.
Er zitten een paar oude mannen aan de bar.
Arthur gaat aan een tafeltje bij het raam zitten.
Hij bestelt een kop koffie en wacht.
Hij kijkt naar de deur.
Elke keer dat er iemand binnenkomt, schrikt hij.
Na een kwartier komt er een man binnen die naar hem toe loopt.
De man is lang en mager.
Hij draagt een grijze jas en een hoed.
Hij gaat tegenover Arthur zitten zonder iets te zeggen.
Dan stelt hij zich voor als van der Laan.
Hij zegt dat hij in het verzet zit.
Hij vraagt waar Guus is.
Arthur zegt dat Guus niet kon komen.
De man knikt langzaam.
Hij kijkt Arthur aan en zegt dat Guus niet te vertrouwen is.
Arthur voelt zijn maag samentrekken.
Hij zegt niets.
De man zegt dat Guus informatie doorgeeft aan de Duitsers.
Arthur schudt zijn hoofd.
Hij zegt dat dat niet kan.
Guus is serieus.
Hij is betrouwbaar.
De man houdt vol.
Hij zegt dat Guus al weken contact heeft met de bezetter.
Arthur weet niet wat hij moet zeggen.
Hij staart naar zijn koffie en voelt zich misselijk.
Arthur loopt terug naar het pension.
Hij kijkt naar de grond en denkt aan wat de man zei.
Moet hij Guus waarschuwen?
Moet hij zijn vader bellen?
Hij weet het niet.
Hij komt thuis en gaat op zijn bed liggen.
Hij staart naar het plafond.
Hij doet niets.
Dat is typisch Artur.
Hij wacht af.
Hij stelt alles uit.
Ondertussen blijft Ellie in zijn hoofd.
Hij zoekt haar op in de gang.
Hij praat met haar over kleine dingen.
Hij probeert grappig te zijn.
Ellie lijkt hem eerst af te wijzen.
Ze zegt korte dingen en kijkt even tussen door.
Bedankt voor het luisteren.
Reageer onder deze aflevering.
Of stuur me een DM op Instagram.
Dan stuur ik je een speciale kortingskode
voor de interactieve versie van deze aflevering.
Veel plezier verder met het verhaal.
Hij dacht.
Maar dan verandert ze.
Ze begint terug te lachen.
Ze raakt zijn arm aan als ze iets zegt.
Artur voelt zich warm worden.
Hij denkt dat hij gewonnen heeft.
Hij denkt dat ze hem nu ziet staan.
Hij ziet niet dat Ellie haar eigen spel speelt.
Hij ziet niet dat ze hem gebruikt.
Net zoals hij Gus gebruikt.
Hij ziet alleen wat hij wil zien.
En dat is precies wat hem later de das omdoet.
Het is midden in de nacht in het pensioen.
Artur ligt in zijn bed en staat naar het plafond.
Buiten is het still op een enkele fiets na.
Dan hoort hij plotseling lawai op straat.
Er stoppen autos.
Deuren slaan dicht.
Er klinken zware voetstappen op de trap.
Artur blijft liggen.
Hij durft zich niet te bewegen.
Hij hoort stemmen in de gang.
Iemand roept een naam.
Het is de naam van Gus.
Artur trekt de deken hoger over zich heen.
Hij doet niets.
De volgende ochtend is de kamer van Gus leeg.
Het bed is niet beslapen.
Elly zit beneden aan tafel en houdt zich stil.
Artur gaat naast haar zitten en ligt zijn hand op haar schouder.
Hij zegt dat het goed komt.
Maar diep van binnen voelt hij iets anders.
Hij voelt zich opgelucht.
Nu is Gus weg.
Nu is Ellie alleen.
Zijn opluchting duurt niet lang.
Want diezelfde dag staat de politie voor de deur.
Ze doorzoeken zijn kamer.
Ze vinden het pistol onder zijn bed.
Artur wordt meegenomen naar het politiebureau.
Op het bureau zit Artur tegenover een ondervraager.
De man heeft een smal gezicht en koude ogen.
Hij vraagt waar Artur het pistol vandaan heeft.
Artur slikt en zegt dat hij het gevonden heeft.
De man lacht zacht.
Hij schudt zijn hoofd.
Hij gelooft er niets van.
Dan leent hij naar voren.
Hij zegt dat Arthur hem kan helpen.
Hij wil informatie over Otto Moeta.
Arthur begrijpt wat dat betekent.
Hij is doodspan.
Hij moet kiezen tussen zijn vader en zichzelf.
Hij kiest voor zichzelf.
Hij belooft de Duitsers dat hij zal helpen.
Maar zodra Arthur buiten staat, weet hij dat hij dit niet kan.
De lucht is koud en grijs.
Hij loopt langzaam door de straat.
Hij denkt aan zijn vader.
Hij haat hem nog steeds.
Maar verader kan hij hem niet.
Dat zit te diep.
Hij beseft dat hij zichzelf voor de gek heeft gehouden.
Hij heeft iets beloofd dat hij nooit kan na komen.
Nu zit hij vast.
Hij moet naar zijn vader toe.
Hij moet hem vertellen wat er is gebeurd.
Dus gaat hij op weg met een zwaar gevoel in zijn maag.
Arthur komt aan de heus van zijn vader aan de gracht.
Otto zit aan tafel met papieren voor zich.
Arthur gaat tegenover hem zitten en vertelt alles.
Over het pistol, over de politie, over de belofte die hij heeft gedaan.
Otto luistert zonder iets te zeggen.
Zijn gezicht blijft strak.
Dan zegt hij langzaam.
Je bent een laffaart, Arthur.
Je hebt nooit iets goed gedaan.
Arthur springt op.
Zijn stemt trilt van woede.
Hij schreeuwt terug.
Hij zegt dat Otto hem nooit heeft gesteund.
Dat Otto hem in de steek heeft gelaten toen hij klein was.
De twee mannen staan tegenover elkaar.
Alle oude wonden komen naar boven.
Otto zegt niets meer over vroeger.
Hij loopt naar een kast en pak er geld uit.
Hij schrijft een adres op een papiertje.
Hij zegt dat Arthur moet vluchten.
naar een dorp in het noorden.
Arthur pakt het geld en het papiertje aan.
Hij stopt alles in zijn zak.
Bij de deur kijkt hij nog één keer om.
Otto staat met zijn rug naar hem toe.
Arthur zegt niets en gaat weg.
Buiten voelt hij zich geen haar beter.
Hij heeft zijn vader verteld wat hij heeft gedaan.
Maar het helpt niet.
Hij voelt zich nog steeds klein en leeg.
Arthur reis naar een klein dorp in het noorden.
De trein stopt bij een leegperon.
Er staat niemand te wachten.
Arthur loopt alleen over een modderige weg.
Aan het einde staat een boerderij.
Een oude man doet open.
Hij heet de boer en hij kent Otto goed.
De boer zegt, je kunt hier blijven zo lang het nodig is.
Hij wijst Arthur een kleine kamer boven.
Arthur ligt zijn tas neer en gaat op het bed zitten.
Buiten is het stil.
Veel stiller dan in Amsterdam.
Hij hoort alleen de wind en een hond in de verte.
De boer geeft hem brood en melk.
Daarna laat hij Arthur alleen.
Arthur probeert te slapen, maar dat lukt niet.
Hij denkt steeds aan Ellie.
Hij pakt papier en pen en schrijft haar een brief.
Hij vraagt hoe het met haar gaat.
Hij wacht dagen op antwoord.
Er komt niets.
Hij schrijft nog een brief.
Weer niets.
De stilte maakt hem onrustig.
Na een paar weken houdt hij het niet meer uit.
Hij pakt zijn spullen en zegt tegen de boer dat hij weg moet.
De boer schudt zijn hoofd, maar houd hem niet tegen.
Arthur komt aan in Amsterdam en gaat meteen naar het pensioen.
De deur staat op een kier.
De hospita is aan het schoonmaken.
Arthur vraagt naar Ellie.
De hospita kijkt op en zegt, ze is verhuist.
Arthur vraagt waarheen.
De hospita noemt een straat aan de andere kant van de stad.
Arthur bedankt haar en gaat weg.
Hij loopt snel door de straat.
Het is een lange wandeling.
Hij komt bij een groot huis met een hoge hech.
Er staat een auto voor de deur.
Arthur blijft even staan en ademt deep in.
Dan loopt hij naar de voordeur en klopt aan.
Ellie doet open.
Ze draagt een nette jurg en ziet er anders uit dan vroeger.
Ze zegt zijn naam en kijkt verrast.
Dan glimlacht ze en vraagt hem binnen.
Arthur stopt in de hal.
Alles is duur en netjes.
Elly brengt hem naar de woonkamer.
Daar zit een man in uniform.
Het is een Duitse officier.
Hij staat op en kijkt Arthur aan.
Ellie zegt rustig.
Dit is mijn verloofde.
Arthur zegt niets.
Hij kijkt van Elly naar de officier en terug.
Zijn handen voelen koud aan.
Hij begrijpt nu dat ze nooit iets voor hun voelden.
Ze wilde alleen informatie over zijn vader.
Arthur draait zich om en rent de deur uit.
Hij holt de straat door zonder om te kijken.
Zijn adem gaat snel.
Hij slaat een hoek om en nog een.
Hij weet niet waar hij heen gaat.
Hij loopt langs grachten en bruggen.
De stad is vol mensen maar hij ziet ze niet.
Hij denkt aan Guus die in een kamp zit.
Hij denkt aan zijn vader die hij heeft teleurgesteld.
Hij denkt aan Elly die hem heeft verraden.
Dan blijft hij stilstaan bij een brug.
Hij kijkt naar het water en ziet zijn eigen spiegelbeeld.
Arthur beseft dat hij zelf ook iedereen heeft verraden.
Hij heeft tegen zijn vader gelogen over het pistool.
Hij heeft Guus niet gewaarschuwd toen hij het kon.
Hij heeft alleen aan zichzelf gedacht.
Hij dacht dat Elly van hem hield maar hij zag alleen wat hij wilde zien.
Hij is geen slachtoffer.
Hij is net zo erg als de mensen om hem heen.
Hij blijft nog even staan op de brug.
Dan loopt hij verder.
Langzaam nu.
Hij weet wat hij moet doen.
Hij gaat terug naar zijn vader.
Wat maakt dit boek zo bijzonder?
Hermans laat zien dat oorlog niet alleen gaat over goed en fout.
Het gaat ook over twijfel, angst en de leugens die we onszelf vertellen.
Arthur is geen held maar ook geen slechterik.
Hij is een gewone jongen die probeert te overleven.
En juist daardoor is hij zo herkenbaar.
Je hoeft geen oorlog mee te maken om te begrijpen wat hij voelt.
De angst om niet goed genoeg te zijn.
De drang om iemand te bezitten.
De spijt als het te laat is.
Dat maakt De tranen der acacia's nog steeds de moeite waard.
Als je dit boek leest of luistert,
zul je merken dat Hermans je steeds weer op het verkeerde been zet.
Net als Arthur weet je nooit helemaal wie je kunt vertrouwen.
En dat is precies de bedoeling.
Want in een tijd van verraad is niets zo gevaarlijk als denken dat je het zeker weet.
Ik hoop dat je genoten hebt van dit verhaal.
Wil je de tekst mee lezen en woorden opzoeken?
Ga dan naar Dutchfluency.com slash transcripts.
Daar kun je op elk woordtikken en de vertaling zien.
Settings
Text
Mode
Audio
Pause