

Audio1x
Speed
Pause
PracticeRead
Mode
Woordenschat
Heb je ooit gewend dat je kon vliegen?
Gewoon weg van alles, hoog boven de wereld met de wind in je haar?
In het boek van vandaag gebeurt dat.
Een jongen wordt heel klein en vliegt mee met een groep wilde ganzen.
Hij ziet Zweden van boven, ontmoet dieren die praten en leert iets belangrijks over zichzelf.
Het boek heet Nils Holgerssons wonderbare reis.
Selma Lagerlöf schreef het in negentienhonderdzes.
Het is een van de beroemdste boeken uit Zweden.
Vandaag neem ik je mee op reis.
We vliegen met Niels over bossen, meren en bergen.
En onderweg ontdekken we waarom dit verhaal al meer dan honderd jaar wordt gelezen.
Niels Holgerson woont op een kleine boerderij in het zuiden van Zweden.
Hij is 14 jaar, maar hij gedraagt zich jonger.
Hij eet veel en slaapt graag.
Hij doet bijna nooit iets nuttigs.
Zijn ouders werken hard op het land.
Zij zijn lief, maar ook streng.
Ze weten niet goed wat ze met Niels aan moeten.
Hij luistert niet en hij maakt ruzie.
Hij plaagt de dieren op de boerderij.
Vooral de katten en de kippen hebben het zwaar.
Nils vindt het grappig als dieren schrikken.
Hij trekt aan de staart van de koe.
Hij gooit stenen naar de vogels.
De kippen rennen weg als ze hem zien.
De kat verstopt zich achter de schuur.
Niemand op de boerderij is echt blij met hem.
De ouders van Nils zuchten vaak.
Ze praten samen over hun zoon.
Ze zeggen dat hij nooit luistert.
Ze zeggen dat hij lui is.
Niels hoort het wel, maar hij doet niets.
Hij haalt zijn schouders op.
Hij gaat weer op de bank liggen.
Hij pakt een broodje uit de kast.
Hij eet het snel op.
De koe in de stal kijkt hem boos aan.
De kippen pikken in de grond en kijken niet naar hem.
Nils merkt het niet eens.
Hij vindt zichzelf heel gewoon.
Op een zondag ochtend zijn zijn ouders naar de kerk.
Niels moet thuis blijven en leren uit een boek.
Maar hij verveelt zich.
Hij kijkt uit het raam en ziet de dieren buiten.
Dan hoort hij iets vreemds.
Er zit een klein mannetje op de rand van een kist.
Het is een kabouter, niet groter dan een hand.
Nils grijpt een net en vangt de kabouter.
De kabouter smeekt hem vrij te laten.
Hij belooft Niels een schat, maar Niels is hebberig.
Hij wil meer.
Dan wordt de kabouter boos.
Plotseling voelt Nils een klap en alles wordt wazig.
Als hij weer kijkt is de kamer enorm.
De stoel is een berg.
Het boek is een huis.
Niels is zelf zo klein geworden als een duim.
De kabouter is weg.
Niels staat alleen op de vloer.
Hij kijkt omhoog naar de tafel.
Die is hoog als een toren.
Hij loopt naar de deur.
De drempel is een muur.
Hij moet klimmen en glijden.
Buiten is alles groot.
De kippen zijn reuzen.
De kat is een monster.
Niels roept naar de kat.
De kat kijkt hem aan en lacht.
Nils rent weg.
Hij is bang.
Hij weet niet wat hij moet doen.
Hij is alleen en heel klein.
Nils rent naar buiten en roept om hulp.
Maar de dieren begrijpen hem en hij begrijpt hen.
De katten lachen hem uit.
De kippen pikken naar hem.
Zelfs de koe zegt dat hij het verdiend heeft.
Niels is bang en alleen.
Dan hoort hij een geluid boven zijn hoofd.
Een groep wilde ganzen vliegt over.
Ze landen op het veld.
Een jonge ganzerik.
Maarten wil graag met hen mee.
Hij roept dat hij sterk is en ver kan vliegen.
De wilde ganzen lachen.
Maarten is te zwaar en te langzaam, zeggen ze.
Maar Maarten probeert het toch.
Hij neemt een sprong en vliegt achter hen aan.
Nils grijpt zich vast aan de nek van Maarten.
En zo begint de reis.
De ganzen vliegen omhoog.
Nils houdt zich stevig vast.
De wind waait door zijn haar.
Hij durft niet te kijken.
Maarten hijgt en zweet.
Hij vliegt maar door.
De wilde ganzen kijken achterom.
Ze zeggen niets meer.
Nils voelt zijn hart kloppen.
Hij is bang om te vallen.
Maar hij is ook opgewonden.
Hij zit op de rug van een gans.
Hij vliegt door de lucht.
De boerderij wordt klein onder hem.
De bomen worden kleine struiken.
Nils sluit zijn ogen en houdt vol.
De wilde ganzen vliegen hoog en ver.
Nils zit op de rug van Maarten en durft bijna niet te kijken.
Hij is bang om te vallen.
De wind is koud en hard.
Hij houdt zich stevig vast aan de nek van Maarten.
De leider van de ganzen heet Akka.
Ze is oud en wijs.
Ze wantrouwt mensen, want mensen hebben haar familie kwaad gedaan.
Ze zegt dat Nils terug moet naar huis.
Maar Nils smeekt om te blijven.
Hij belooft dat hij geen kwaad zal doen.
Akka zegt dat hij mag blijven als hij zich bewijst.
Die eerste nacht is koud.
Nils kruipt dicht tegen Maarten aan.
Hij mist zijn ouders, maar hij is ook opgewonden.
De maan schijnt en de wereld is stil.
Hij hoort alleen de adem van de ganzen.
Hij kijkt naar de sterren en denkt aan thuis.
Zijn moeder zou nu slapen.
Zijn vader zou morgen vroeg opstaan.
Nils zucht.
Hij is moe, maar kan niet slapen.
Naast hem ademt Maarten rustig.
Langzaam wordt de lucht lichter.
Nils sluit zijn ogen en valt in slaap.
De volgende ochtend worden ze wakker in een groot meer.
De ganzen zoeken eten.
Niels is uitgehongerd.
Hij ziet een klein eilandje met bessen.
Hij wil erheen zwemmen.
Maar dan komt er een grote vos aan.
De vos heet Mikkel.
Hij heeft honger en ziet Nils als een hapje.
Niels rent voor zijn leven.
Hij klimt in een boom.
Mikkel volgt hem.
Zijn tanden zijn wit en scherp.
Nils voelt zijn hart bonken.
Hij roept zo hard hij kan om hulp.
De ganzen horen hem.
Akka geeft een teken en de hele groep valt de vos aan.
Ze pikken en slaan met hun vleugels.
Mikkel springt achteruit.
Hij gromt en schudt zijn kop.
De ganzen blijven komen.
Ze pikken in zijn poten en in zijn staart.
Mikkel vlucht weg.
Hij verdwijnt tussen de bomen.
Nils klimt naar beneden.
Hij is gered.
Het.
Voor het eerst voelt hij zich deel van de groep.
Akka ziet dat Nils moedig is.
Ze besluit dat hij mag blijven.
De reis gaat verder naar het noorden.
Ze vliegen over grote bossen en langs hoge bergen.
Nils leert de namen van de provincies van Zweden.
Hij ziet hoe groot het land is.
Soms vliegen ze laag en ziet hij mensen op het land werken.
Hij ziet kinderen spelen.
Hij voelt zich vrij, maar ook eenzaam.
Hij mist zijn moeder.
Op een dag ziet hij een oude vrouw in een huisje.
Ze is arm en alleen.
Nils wil haar helpen, maar hij is te klein.
Hij voelt voor het eerst medelijden met iemand anders.
De vrouw loopt langzaam naar buiten.
Ze draagt een zware emmer.
Haar rug is krom.
Ze zet de emmer neer en zucht.
Nils kijkt naar haar van een tak.
Hij wil iets doen.
Hij kan niet stilzitten.
Hij kan niets dragen.
Hij is te klein.
Dan ziet hij een appel op de grond liggen.
Hij rolt de appel naar haar teen.
De vrouw kijkt verbaasd.
Ze raapt de appel op en glimlacht.
Nils glimlacht terug.
Ze ziet hem niet, maar hij voelt zich toch blij.
Op een avond vliegen de ganzen laag over een oude berg.
Akka geeft een teken en de groep landt op het dak.
Beneden is het stil.
Nils kruipt naar de rand en kijkt naar binnen.
Hij ziet een gevecht tussen de bomen door.
Bedankt voor het luisteren.
Reageer onder deze aflevering of stuur me een DM op Instagram.
Dan stuur ik je een speciale kortingskode voor de interactieve versie van deze aflevering.
Veel plezier verder met het verhaal.
Groot is de zaal met veel ratten.
De ratten zitten in een kring en praten zacht.
Een oude rat zegt dat de mensen weg moeten.
Hij zegt dat de burcht van hen is, de andere ratten knikken.
Niels hoort alles en zijn hart klopt snel.
De mensen in de burcht weten niets.
Over een paar uur komen de ratten in actie.
Niels denkt diep na.
Dan ziet hij een kleine fluit naast zich op het dak.
Hij pakt de fluit en blaast er zacht op.
De ratten horen de muziek en worden stil.
Ze lopen naar buiten en volgen het geluid.
Niels loopt voorzichtig over de muur.
Hij speelt en speelt en leidt de ratten weg.
Bij het meer stopt hij.
De ratten lopen het water in en verdrinken bijna allemaal.
De mensen in de burcht merken niets.
Akka knikt naar Nils.
Ze zegt niets, maar hij ziet trots in haar ogen.
Een tijdje later vliegen ze over een eiland.
Daar wonen veel kraaien.
De kraaien hebben een probleem.
Een koning is oud en zwak.
Een jonge kraai wil de macht overnemen.
Hij heeft gehoord dat Niels slim is.
De kraaien vliegen naar beneden en pakken Nils.
Ze brengen hem naar hun nest, hoog in een boom.
De jonge kraai staat voor hem en zegt dat Nils moet helpen.
Nils is bang.
Zijn handen trillen, maar hij blijft rustig zitten.
Nils kijkt goed naar de jonge kraai.
Hij ziet dat de kraai liegt.
De jonge kraij zegt mooie woorden, maar zijn ogen zijn vals.
Nils vertelt de andere kraaien de waarheid.
Hij zegt wat de jonge kraai echt wil.
De kraaien luisteren naar hem.
Ze worden boos op de jonge kraai.
De oude koning blijft aan de macht.
De jonge kraai vliegt beschaamd weg.
De kraaien laten Nils vrij.
Weer heeft hij iemand geholpen.
De reis gaat verder naar het noorden.
Het wordt kouder.
De ganzen vliegen over besneeuwde bergen.
Nils ziet rendieren lopen en poolvossen sluipen.
Hij ziet het noorderlicht aan de hemel.
Groen en paars licht beweegt boven zijn hoofd.
Hij voelt zich klein onder die grote lucht.
De wind is ijskoud.
Zijn vingers doen pijn.
Maar hij voelt zich ook sterk.
Hij kan nu tegen de kou.
Hij kan tegen de honger.
Maarten de ganzerik is zijn beste vriend geworden.
Ze zitten vaak samen als de groep rust.
Maarten mist zijn eigen boerderij.
Hij praat over de kippen en de stal.
Nils mist zijn ouders.
Hij praat over zijn moeder en het huis.
Ze kijken samen naar de sterren.
Maarten zegt dat hij ooit terug wil.
Nils zegt dat hij ook terug wil.
Ze beloven elkaar dat ze samen teruggaan.
Dan kruipen ze dicht tegen elkaar aan.
De nacht is koud, maar ze zijn niet alleen.
De dag komt dat de ganzen terugvliegen naar het zuiden.
Ze willen naar hun oude plek.
Nils zit op de rug van Maarten.
Hij kijkt naar beneden.
Hij ziet de bossen en de meren voorbijgaan.
Zijn hart klopt snel.
Hij is blij zijn ouders weer te zien, maar hij is ook bang.
Zal hij nog steeds klein zijn?
Hoe kan hij terug naar huis als hij zo klein is?
Hij durft het bijna niet te vragen.
Bij een meer stoppen ze even.
Nils loopt naar Akka toe.
Hij vraagt hoe hij weer groot kan worden.
Akka kijkt hem aan.
Ze is oud en wijs.
Ze vertelt hem dat de betovering alleen verbroken kan worden
als hij iets goeds doet voor iemand anders.
En hij mag er niets voor terug willen.
Nils denkt lang na.
Hij heeft al veel goede dingen gedaan.
Hij hielp de ganzen tegen de vos.
Hij redde de mensen van de ratten.
Hij hielp de oude kraai.
Maar hij heeft ook nog iets belangrijks te doen.
Hij weet alleen nog niet wat.
Dan ziet Nils de boerderij van ver.
De ganzen vliegen laag.
Nils kijkt naar het huis.
Het is stil op het erf.
De deur staat open.
Er is niemand te zien.
Nils voelt een koude wind.
De boerderij is stiller dan vroeger.
Hij ziet zijn moeder bij het raam.
Ze is ouder geworden.
Ze kijkt naar buiten.
Ze praat zacht tegen zijn vader.
Ze zegt iets over hun zoon.
Ze denken dat hij weg is.
Nils wil naar hen toe rennen.
Maar hij is nog klein.
Op een dag loopt Nils over het veld.
Hij hoort voetstappen.
Hij ziet zijn vader aankomen.
Zijn vader heeft een geweer in zijn hand.
Hij hoort dat er een groep wilde ganzen is neergestreken op het veld.
De vader wil schieten.
Nils schrikt.
Hij rent naar de ganzen toe.
Hij zwaait met zijn armen.
Hij roept dat ze weg moeten vliegen.
Maar de vader ziet hem niet.
De ganzen zien Nils wel.
Ze blijven staan.
Nils moet iets doen.
Hij gaat voor de ganzen staan.
De vader heeft het geweer.
Nils roept zo hard hij kan.
Hij roept naar zijn vader.
De vader hoort een stem.
Hij kijkt om zich heen.
Maar hij ziet niemand.
Dan ziet hij een klein mannetje op het veld.
Het mannetje staat voor de gansen.
De vader kijkt goed.
Hij herkent zijn zoon.
Hij laat het geweer zakken.
Zijn handen trillen.
Nils is gered.
En op dat moment voelt hij een tinteling.
Hij groeit.
Hij wordt weer groot.
De betovering is verbrokken.
Nils rent naar zijn moeder.
Ze staat bij de deur.
Ze huilt van blijdschap.
Zijn vader komt erbij.
Hij omhelst hem stevig.
Nils vertelt over zijn reis.
Over de gansen.
Over Akka.
Over Maarten.
Zijn ouders luisteren.
Ze zeggen niets.
Ze geloven hem.
Nils is veranderd.
Hij is nog steeds een jongen, maar hij is wijzer.
Hij helpt nu op de boerderij.
Hij is lief voor de dieren.
Hij leest boeken.
Hij is niet meer lui.
Zijn ouders zijn trots op hem.
Op een dag staat Nils buiten.
Hij ziet een groep gansen overfliegen.
Hij zwaait met zijn hand.
Boven hem hoort hij een bekend geluid.
Maarten de ganzerik vliegt mee.
Nils lacht.
Hij kijkt naar de lucht.
Hij weet dat zijn vriend vrij is.
Hij voelt zich ook vrij.
Hij gaat naar binnen.
Zijn moeder heeft eten gemaakt.
Zijn vader zit aan tafel.
Nils gaat zitten.
Hij kijkt naar buiten.
De gansen zijn nu ver weg.
Maar hij vergeet ze nooit.
Wat maakt dit boek zo bijzonder?
Het is een reisverhaal, maar ook een verhaal over groeien.
Nils leert dat vrijheid niet betekent dat je doet wat je wilt.
Vrijheid betekent dat je verantwoordelijkheid neemt.
Hij leert dat dieren ook gevoelens hebben.
En hij leert dat je thuis pas echt waarderd als je weg bent geweest.
Selma Lagerlöf schreef het boek eigenlijk als een leesboek voor schoolkinderen.
Ze wilden dat ze iets leerden over de natuur en de geschiedenis van zweden.
Maar het werd veel meer dan dat.
Het werd een verhaal over een jongen die leert houden.
Als je dit boek leest of hoort, voel je de wind.
Je ziet de meren en de bossen.
Je hoort de gansen.
En je hoopt dat Nils het haalt.
Dat hij weer thuis komt.
Dat hij groot wordt.
En dat hij zijn vrienden niet vergeet.
Dat is de kracht van dit verhaal.
Het is eenvoudig, maar het raakt je.
Het gaat over ieder kind dat ooit heeft gedroomd van vliegen.
En over ieder mens die ooit heeft geleerd dat je pas vrij bent als je voor andere zorgt.
Wil je dit verhaal in het Nederlands lezen en moeilijke woorden makkelijk opzoeken?
Ga dan naar Dutchfluency.com slash transcripts.
Daar kun je op elke woord ticken en de vertaling zien.
Settings
Text
Mode
Audio
Pause