Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Onregelmatig, scheidbaar

Vervoeging van Afspreken

afspreken = to arrange

Hele werkwoord
afspreken
Verleden tijd
sprak af · spraken af
Voltooide tijd
heeft afgesproken

Kort antwoord

Afspreken is in het Engels to arrange. Verleden tijd: sprak af (enkelvoud) en spraken af (meervoud). Voltooid deelwoord: afgesproken, met hebben: ik heb afgesproken.

Oefen afspreken

Tegenwoordige tijd

ikspreek af
jijspreekt af
hij/zij/hetspreekt af
wijspreken af
julliespreken af
zijspreken af

Verleden tijd

iksprak af
jijsprak af
hij/zij/hetsprak af
wijspraken af
julliespraken af
zijspraken af

Voltooide tijd

ikheb afgesproken
jijhebt afgesproken
hij/zij/hetheeft afgesproken
wijhebben afgesproken
julliehebben afgesproken
zijhebben afgesproken

Voltooid verleden tijd

ikhad afgesproken
jijhad afgesproken
hij/zij/hethad afgesproken
wijhadden afgesproken
julliehadden afgesproken
zijhadden afgesproken

Toekomende tijd

ikzal afspreken
jijzult afspreken
hij/zij/hetzal afspreken
wijzullen afspreken
julliezullen afspreken
zijzullen afspreken

Voorwaardelijke wijs

ikzou afspreken
jijzou afspreken
hij/zij/hetzou afspreken
wijzouden afspreken
julliezouden afspreken
zijzouden afspreken

Oefen afspreken

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

Zo werkt dit werkwoord

  • Onregelmatig werkwoord: de verleden tijd en het voltooid deelwoord volgen het gewone -te/-de-patroon niet, dus leer de drie vormen samen: afspreken, sprak af, afgesproken.
  • Scheidbaar werkwoord. In een hoofdzin gaat af naar het eind: ik spreek af. In een bijzin blijft het vast: ... dat ik afspreek, ... dat ik afsprak.
  • In het voltooid deelwoord staat ge tussen de twee delen: afgesproken.

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van afspreken?

sprak af (ik, jij, hij/zij/het) en spraken af (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van afspreken?

afgesproken, met hebben: ik heb afgesproken.

Gebruik je afspreken met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb afgesproken, hij heeft afgesproken.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.