Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Regular

Conjugación de Bellen

bellen = llamar

Infinitivo
bellen
Pasado
belde · belden
Perfecto
heeft gebeld

Respuesta rápida

Bellen significa llamar. Pasado: belde (singular) y belden (plural). Participio: gebeld, con hebben: ik heb gebeld.

Practica bellen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikbel
jijbelt
hij/zij/hetbelt
wijbellen
julliebellen
zijbellen

Pasado (verleden tijd)

ikbelde
jijbelde
hij/zij/hetbelde
wijbelden
julliebelden
zijbelden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gebeld
jijhebt gebeld
hij/zij/hetheeft gebeld
wijhebben gebeld
julliehebben gebeld
zijhebben gebeld

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gebeld
jijhad gebeld
hij/zij/hethad gebeld
wijhadden gebeld
julliehadden gebeld
zijhadden gebeld

Futuro (toekomende tijd)

ikzal bellen
jijzult bellen
hij/zij/hetzal bellen
wijzullen bellen
julliezullen bellen
zijzullen bellen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou bellen
jijzou bellen
hij/zij/hetzou bellen
wijzouden bellen
julliezouden bellen
zijzouden bellen

Practica bellen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es bel. En el infinitivo bellen hay una l antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (belde, belden) y el participio termina en -d (gebeld).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij belt, pero bel jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de bellen?

belde (ik, jij, hij/zij/het) y belden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de bellen?

gebeld, con hebben: ik heb gebeld.

¿El verbo bellen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gebeld, hij heeft gebeld.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.