Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Regular

Horen conjugation

horen = to hear

Infinitive
horen
Past
hoorde · hoorden
Perfect
heeft gehoord

Quick answer

Horen means to hear. Past tense: hoorde (singular) and hoorden (plural). Past participle: gehoord, with hebben: ik heb gehoord.

Practise horen

Present (tegenwoordige tijd)

ikhoor
jijhoort
hij/zij/hethoort
wijhoren
julliehoren
zijhoren

Past (verleden tijd)

ikhoorde
jijhoorde
hij/zij/hethoorde
wijhoorden
julliehoorden
zijhoorden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gehoord
jijhebt gehoord
hij/zij/hetheeft gehoord
wijhebben gehoord
julliehebben gehoord
zijhebben gehoord

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gehoord
jijhad gehoord
hij/zij/hethad gehoord
wijhadden gehoord
julliehadden gehoord
zijhadden gehoord

Future (toekomende tijd)

ikzal horen
jijzult horen
hij/zij/hetzal horen
wijzullen horen
julliezullen horen
zijzullen horen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou horen
jijzou horen
hij/zij/hetzou horen
wijzouden horen
julliezouden horen
zijzouden horen

Practise horen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is hoor. The infinitive horen has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (hoorde, hoorden) and the participle ends in -d (gehoord).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij hoort, but hoor jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of horen?

hoorde (ik, jij, hij/zij/het) and hoorden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of horen?

gehoord, with hebben: ik heb gehoord.

Is horen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gehoord, hij heeft gehoord.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.