Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel C1 · Irregular

Conjugación de Bergen

bergen = rescatar, almacenar

Infinitivo
bergen
Pasado
borg · borgen
Perfecto
heeft geborgen

Respuesta rápida

Bergen significa rescatar, almacenar. Pasado: borg (singular) y borgen (plural). Participio: geborgen, con hebben: ik heb geborgen.

Practica bergen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikberg
jijbergt
hij/zij/hetbergt
wijbergen
julliebergen
zijbergen

Pasado (verleden tijd)

ikborg
jijborg
hij/zij/hetborg
wijborgen
jullieborgen
zijborgen

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geborgen
jijhebt geborgen
hij/zij/hetheeft geborgen
wijhebben geborgen
julliehebben geborgen
zijhebben geborgen

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geborgen
jijhad geborgen
hij/zij/hethad geborgen
wijhadden geborgen
julliehadden geborgen
zijhadden geborgen

Futuro (toekomende tijd)

ikzal bergen
jijzult bergen
hij/zij/hetzal bergen
wijzullen bergen
julliezullen bergen
zijzullen bergen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou bergen
jijzou bergen
hij/zij/hetzou bergen
wijzouden bergen
julliezouden bergen
zijzouden bergen

Practica bergen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

bergen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Wij de tuinstoelen in de winter in de schuur.

  2. Pasado

    De brandweer de spullen uit het natte huis.

  3. Pretérito perfecto

    Zij al haar boeken netjes op zolder .

  4. Oración subordinada

    Hij was moe omdat hij de hele dag de oogst in de schuur .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: bergen, borg, geborgen.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij bergt, pero berg jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de bergen?

borg (ik, jij, hij/zij/het) y borgen (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de bergen?

geborgen, con hebben: ik heb geborgen.

¿El verbo bergen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geborgen, hij heeft geborgen.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.