Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Beuken

beuken = embestir, golpear

Infinitivo
beuken
Pasado
beukte · beukten
Perfecto
heeft gebeukt

Respuesta rápida

Beuken significa embestir, golpear. Pasado: beukte (singular) y beukten (plural). Participio: gebeukt, con hebben: ik heb gebeukt.

Practica beuken

Presente (tegenwoordige tijd)

ikbeuk
jijbeukt
hij/zij/hetbeukt
wijbeuken
julliebeuken
zijbeuken

Pasado (verleden tijd)

ikbeukte
jijbeukte
hij/zij/hetbeukte
wijbeukten
julliebeukten
zijbeukten

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gebeukt
jijhebt gebeukt
hij/zij/hetheeft gebeukt
wijhebben gebeukt
julliehebben gebeukt
zijhebben gebeukt

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gebeukt
jijhad gebeukt
hij/zij/hethad gebeukt
wijhadden gebeukt
julliehadden gebeukt
zijhadden gebeukt

Futuro (toekomende tijd)

ikzal beuken
jijzult beuken
hij/zij/hetzal beuken
wijzullen beuken
julliezullen beuken
zijzullen beuken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou beuken
jijzou beuken
hij/zij/hetzou beuken
wijzouden beuken
julliezouden beuken
zijzouden beuken

Practica beuken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

beuken en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De golven de hele nacht tegen de rotsen.

  2. Pasado

    Hij woedend op de deur.

  3. Pretérito perfecto

    Jullie urenlang op die oude trommel .

  4. Oración subordinada

    De buren klagen omdat jij elke avond op de muur .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es beuk. En el infinitivo beuken hay una k antes de -en, uno de los sonidos de 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -te (beukte, beukten) y el participio termina en -t (gebeukt).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij beukt, pero beuk jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de beuken?

beukte (ik, jij, hij/zij/het) y beukten (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de beuken?

gebeukt, con hebben: ik heb gebeukt.

¿El verbo beuken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gebeukt, hij heeft gebeukt.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.