Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Turen

turen = mirar fijamente

Infinitivo
turen
Pasado
tuurde · tuurden
Perfecto
heeft getuurd

Respuesta rápida

Turen significa mirar fijamente. Pasado: tuurde (singular) y tuurden (plural). Participio: getuurd, con hebben: ik heb getuurd.

Practica turen

Presente (tegenwoordige tijd)

iktuur
jijtuurt
hij/zij/hettuurt
wijturen
jullieturen
zijturen

Pasado (verleden tijd)

iktuurde
jijtuurde
hij/zij/hettuurde
wijtuurden
jullietuurden
zijtuurden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb getuurd
jijhebt getuurd
hij/zij/hetheeft getuurd
wijhebben getuurd
julliehebben getuurd
zijhebben getuurd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad getuurd
jijhad getuurd
hij/zij/hethad getuurd
wijhadden getuurd
julliehadden getuurd
zijhadden getuurd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal turen
jijzult turen
hij/zij/hetzal turen
wijzullen turen
julliezullen turen
zijzullen turen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou turen
jijzou turen
hij/zij/hetzou turen
wijzouden turen
julliezouden turen
zijzouden turen

Practica turen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

turen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Hij urenlang over de zee.

  2. Pasado

    Het meisje door het raam naar de sneeuw.

  3. Pretérito perfecto

    Wij de hele avond naar de sterren .

  4. Oración subordinada

    Ik zag dat jij in de mist naar het schip .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es tuur. En el infinitivo turen hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (tuurde, tuurden) y el participio termina en -d (getuurd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij tuurt, pero tuur jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de turen?

tuurde (ik, jij, hij/zij/het) y tuurden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de turen?

getuurd, con hebben: ik heb getuurd.

¿El verbo turen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb getuurd, hij heeft getuurd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.