Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A1 · Regelmatig

Vervoeging van Dansen

dansen = to dance

Hele werkwoord
dansen
Verleden tijd
danste · dansten
Voltooide tijd
heeft gedanst

Kort antwoord

Dansen is in het Engels to dance. Verleden tijd: danste (enkelvoud) en dansten (meervoud). Voltooid deelwoord: gedanst, met hebben: ik heb gedanst.

Oefen dansen

Tegenwoordige tijd

ikdans
jijdanst
hij/zij/hetdanst
wijdansen
julliedansen
zijdansen

Verleden tijd

ikdanste
jijdanste
hij/zij/hetdanste
wijdansten
julliedansten
zijdansten

Voltooide tijd

ikheb gedanst
jijhebt gedanst
hij/zij/hetheeft gedanst
wijhebben gedanst
julliehebben gedanst
zijhebben gedanst

Voltooid verleden tijd

ikhad gedanst
jijhad gedanst
hij/zij/hethad gedanst
wijhadden gedanst
julliehadden gedanst
zijhadden gedanst

Toekomende tijd

ikzal dansen
jijzult dansen
hij/zij/hetzal dansen
wijzullen dansen
julliezullen dansen
zijzullen dansen

Voorwaardelijke wijs

ikzou dansen
jijzou dansen
hij/zij/hetzou dansen
wijzouden dansen
julliezouden dansen
zijzouden dansen

Oefen dansen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is dans. In dansen staat s voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (danste, dansten) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (gedanst).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij danst, maar dans jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van dansen?

danste (ik, jij, hij/zij/het) en dansten (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van dansen?

gedanst, met hebben: ik heb gedanst.

Gebruik je dansen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gedanst, hij heeft gedanst.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.