Level A1 · Regular
Leggen conjugation
leggen = to lay, put
- Infinitive
- leggen
- Past
- legde · legden
- Perfect
- heeft gelegd
Quick answer
Leggen means to lay, put. Past tense: legde (singular) and legden (plural). Past participle: gelegd, with hebben: ik heb gelegd.
Practise leggenPresent (tegenwoordige tijd)
| ik | leg |
| jij | legt |
| hij/zij/het | legt |
| wij | leggen |
| jullie | leggen |
| zij | leggen |
Past (verleden tijd)
| ik | legde |
| jij | legde |
| hij/zij/het | legde |
| wij | legden |
| jullie | legden |
| zij | legden |
Perfect (voltooide tijd)
| ik | heb gelegd |
| jij | hebt gelegd |
| hij/zij/het | heeft gelegd |
| wij | hebben gelegd |
| jullie | hebben gelegd |
| zij | hebben gelegd |
Past perfect (voltooid verleden tijd)
| ik | had gelegd |
| jij | had gelegd |
| hij/zij/het | had gelegd |
| wij | hadden gelegd |
| jullie | hadden gelegd |
| zij | hadden gelegd |
Future (toekomende tijd)
| ik | zal leggen |
| jij | zult leggen |
| hij/zij/het | zal leggen |
| wij | zullen leggen |
| jullie | zullen leggen |
| zij | zullen leggen |
Conditional (voorwaardelijke wijs)
| ik | zou leggen |
| jij | zou leggen |
| hij/zij/het | zou leggen |
| wij | zouden leggen |
| jullie | zouden leggen |
| zij | zouden leggen |
Practise leggen
Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.
1 of 60 ✓
Present
How this verb works
- Regular verb. The stem is leg. The infinitive leggen has g before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (legde, legden) and the participle ends in -d (gelegd).
- When jij comes after the verb, the -t drops: jij legt, but leg jij?
Questions about Dutch verbs
What is the past tense of leggen?
legde (ik, jij, hij/zij/het) and legden (wij, jullie, zij).
What is the past participle of leggen?
gelegd, with hebben: ik heb gelegd.
Is leggen used with hebben or zijn?
With hebben: ik heb gelegd, hij heeft gelegd.
More verbs
Want to stop looking words up?
The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.
Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.