Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau B2 · Regelmatig

Vervoeging van Ritselen

ritselen = to rustle, to finagle

Hele werkwoord
ritselen
Verleden tijd
ritselde · ritselden
Voltooide tijd
heeft geritseld

Kort antwoord

Ritselen is in het Engels to rustle, to finagle. Verleden tijd: ritselde (enkelvoud) en ritselden (meervoud). Voltooid deelwoord: geritseld, met hebben: ik heb geritseld.

Oefen ritselen

Tegenwoordige tijd

ikritsel
jijritselt
hij/zij/hetritselt
wijritselen
jullieritselen
zijritselen

Verleden tijd

ikritselde
jijritselde
hij/zij/hetritselde
wijritselden
jullieritselden
zijritselden

Voltooide tijd

ikheb geritseld
jijhebt geritseld
hij/zij/hetheeft geritseld
wijhebben geritseld
julliehebben geritseld
zijhebben geritseld

Voltooid verleden tijd

ikhad geritseld
jijhad geritseld
hij/zij/hethad geritseld
wijhadden geritseld
julliehadden geritseld
zijhadden geritseld

Toekomende tijd

ikzal ritselen
jijzult ritselen
hij/zij/hetzal ritselen
wijzullen ritselen
julliezullen ritselen
zijzullen ritselen

Voorwaardelijke wijs

ikzou ritselen
jijzou ritselen
hij/zij/hetzou ritselen
wijzouden ritselen
julliezouden ritselen
zijzouden ritselen

Oefen ritselen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

ritselen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Mijn broer altijd kaartjes voor populaire concerten.

  2. Verleden tijd

    De bladeren zachtjes in de wind.

  3. Voltooide tijd

    Jij weer een mooie baan voor jezelf .

  4. Bijzin

    Ik hoorde iets in het bos toen de struiken opeens .

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is ritsel. In ritselen staat l voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (ritselde, ritselden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (geritseld).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij ritselt, maar ritsel jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van ritselen?

ritselde (ik, jij, hij/zij/het) en ritselden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van ritselen?

geritseld, met hebben: ik heb geritseld.

Gebruik je ritselen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb geritseld, hij heeft geritseld.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.