Alle werkwoorden
Niveau A1
- aankomen
- afwassen
- antwoorden
- beginnen
- begrijpen
- bellen
- betalen
- blijven
- brengen
- dansen
- denken
- doen
- dragen
- drinken
- eindigen
- eten
- fietsen
- gaan
- gebruiken
- geven
- halen
- hebben
- helpen
- heten
- horen
- huilen
- kijken
- koken
- komen
- kopen
- krijgen
- kunnen
- lachen
- laten
- leggen
- leren
- lezen
- lopen
- luisteren
- maken
- meekomen
- meenemen
- mogen
- nadenken
- nemen
- openen
- opruimen
- opstaan
- praten
- proberen
- reizen
- schrijven
- slapen
- sluiten
- spelen
- spreken
- staan
- uitgaan
- vallen
- vertellen
- vinden
- vragen
- wachten
- wassen
- werken
- weten
- willen
- wonen
- worden
- zeggen
- zetten
- zien
- zijn
- zingen
- zitten
- zullen
- zwemmen
Niveau A2
- aanbieden
- aandoen
- aangeven
- aankloppen
- aantrekken
- aanvallen
- aanvragen
- aanvullen
- aanwijzen
- aanzetten
- accepteren
- adviseren
- afgeven
- afhalen
- afmaken
- afnemen
- afrekenen
- afspreken
- bakken
- bedanken
- bedoelen
- behoren
- bekijken
- beloven
- beschrijven
- beslissen
- besluiten
- bestaan
- besteden
- bestellen
- bewaren
- bezoeken
- bieden
- breken
- delen
- dichtdoen
- dienen
- doorgeven
- dromen
- drukken
- ervaren
- gebeuren
- groeien
- groeten
- hopen
- houden
- huren
- inchecken
- inhalen
- inpakken
- kennen
- kiezen
- klagen
- klinken
- kussen
- lenen
- liegen
- lukken
- meebrengen
- meedoen
- meegaan
- meegeven
- meelopen
- merken
- missen
- moeten
- ontmoeten
- opbellen
- opbergen
- opendoen
- ophangen
- ophouden
- opnemen
- opzoeken
- overgeven
- rijden
- roepen
- sparen
- springen
- stoppen
- studeren
- terugbrengen
- teruggeven
- terugkomen
- toenemen
- toevoegen
- uitgeven
- uitkijken
- uitnodigen
- uitstappen
- vergeten
- verkopen
- verliezen
- verstaan
- vertrekken
- voelen
- volgen
- wandelen
- weggooien
- winnen
Niveau B1
- aanbevelen
- aannemen
- aanpassen
- afsluiten
- annuleren
- beantwoorden
- behandelen
- beoordelen
- bespreken
- bevestigen
- bijdragen
- bijhouden
- bijwonen
- blijken
- controleren
- deelnemen
- herinneren
- inleveren
- invullen
- inzien
- naleven
- nalezen
- onderhandelen
- ontbreken
- ontdekken
- ontstaan
- ontvangen
- ontwikkelen
- ophalen
- opleveren
- opschrijven
- opstellen
- overleggen
- overstappen
- overtuigen
- overwegen
- plaatsvinden
- samenwerken
- solliciteren
- terugkijken
- toelichten
- uitkiezen
- uitleggen
- uitproberen
- uitstellen
- uitvoeren
- uitzoeken
- vergaderen
- vergelijken
- verhuizen
- vervangen
- verwachten
- voorbereiden
- voorstellen
Vragen over werkwoorden
Hoe vervoeg je een regelmatig Nederlands werkwoord?
Haal -en van het hele werkwoord af en je hebt de stam (werken: werk). Tegenwoordige tijd: ik werk, jij/hij werkt, wij/jullie/zij werken. Verleden tijd: zet er -te of -de achter (werkte, werkten). Gebruik -te als de letter voor -en in 't kofschip zit (t, k, f, s, ch, p), anders -de. Het voltooid deelwoord is ge + stam + t of d: gewerkt.
Wanneer gebruik je hebben en wanneer zijn in de voltooide tijd?
De meeste werkwoorden gebruiken hebben. Zijn hoort bij werkwoorden van verandering of van beweging naar een plek, en bij zijn, worden en blijven zelf: ik ben gegaan, ik ben gekomen, ik ben verhuisd, ik ben gebleven. Werkwoorden als lopen, fietsen en rijden krijgen hebben voor de activiteit (ik heb gelopen) en zijn als je zegt waarheen (ik ben naar huis gelopen). Op elke werkwoordpagina zie je welke je gebruikt.
Wat is een scheidbaar werkwoord?
Een werkwoord met een voorvoegsel dat in een hoofdzin naar het eind gaat: opbellen wordt ik bel je op. In een bijzin blijven de delen bij elkaar (dat ik je opbel), en in het voltooid deelwoord staat ge ertussen: opgebeld.
Waarom valt bij sommige werkwoorden de -t weg na jij?
Als jij achter het werkwoord staat, in een vraag of na een woord als morgen, valt de -t weg: jij werkt, maar werk jij? Bij hij en zij blijft de -t staan: werkt hij?
Waar komen deze vormen vandaan?
Uit de werkwoordenlijst van de Dutch Fluency-werkwoordenapp, vorm voor vorm gecontroleerd met Wiktionary. Waar ze verschilden, hebben we de vorm verbeterd. Samengestelde tijden worden gebouwd met de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.
Leer de regels erachter
Wil je niet meer alles opzoeken?
De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.
Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.