Scheidbare werkwoorden
Opbellen wordt ik bel je op, maar verbouwen gaat nooit uit elkaar. Controleer elk werkwoord, zie waar het voorvoegsel staat en bekijk alle 544 scheidbare werkwoorden in de vervoegingstool.
Scheidbaar of niet? Controleer elk Nederlands werkwoord
Typ een werkwoord en zie of het scheidbaar is, waar de klemtoon ligt en wat het voltooid deelwoord is. Ook werkwoorden met twee betekenissen, zoals voorkomen.
Waar het voorvoegsel staat: opbellen
| Hoofdzin | ik bel op |
| Vraag | bel jij op? |
| Bijzin | … dat ik opbel |
| Met een modaal werkwoord | ik wil opbellen |
| Voltooide tijd | ik heb opgebeld |
| Met om ... te | om op te bellen |
| Gebiedende wijs | bel op! |
Welke voorvoegsels gaan los?
- Bijna altijd scheidbaar: aan, af, bij, binnen, buiten, heen, in, langs, los, mee, na, neer, op, samen, tegen, terug, thuis, toe, uit, vast, voort, weg.
- Nooit scheidbaar, en geen extra ge- in het voltooid deelwoord: be-, er-, ge-, her-, ont-, ver-.
- Scheidbaar of niet, afhankelijk van de klemtoon: achter, door, mis, om, onder, over, vol, voor, weer. Klemtoon op het voorvoegsel is scheidbaar (dóórlopen, hij loopt door). Klemtoon op het werkwoord is niet scheidbaar (doorlópen, hij doorloopt).
Zelfde spelling, twee werkwoorden
Deze werkwoorden bestaan twee keer: een keer scheidbaar, een keer niet. Aan de klemtoon hoor je welke het is, en elk heeft een eigen betekenis en eigen vormen.
- vóórkomen to exist, occur (hij komt voor)voorkómen to prevent (hij voorkomt)
- dóórlopen to keep going (hij loopt door)doorlópen to go through (hij doorloopt)
- doorbréken to break through (hij doorbreekt)dóórbreken to break through (hij breekt door)
- óndergaan to set (hij gaat onder)ondergáán to undergo, endure (hij ondergaat)
- óverkomen to seem, to happen (hij komt over)overkómen to happen, befall (hij overkomt)
- overléggen to consult, discuss (hij overlegt)óverleggen to show, present (hij legt over)
- óverstromen to overflow (hij stroomt over)overstrómen to flood (hij overstroomt)
Alle 544 scheidbare werkwoorden, per voorvoegsel
op- (73)
- opbellen
- opbergen
- opblazen
- opbouwen
- opdagen
- opdoen
- opdrinken
- opduiken
- opeisen
- opeten
- opgaan
- opgeven
- opgraven
- opgroeien
- ophalen
- ophangen
- opheffen
- ophogen
- ophopen
- ophouden
- opkijken
- opklaren
- opkomen
- opladen
- opleggen
- opleiden
- opletten
- opleveren
- oplichten
- oplopen
- oplossen
- opmaken
- opmerken
- opnemen
- opofferen
- oppakken
- oppassen
- oppikken
- oprapen
- oprichten
- oproepen
- oprollen
- opruimen
- opschieten
- opschrijven
- opslaan
- opsluiten
- opspringen
- opstaan
- opstapelen
- opstappen
- opstarten
- opsteken
- opstellen
- opstijgen
- opsturen
- optillen
- optreden
- optrekken
- opvallen
- opvangen
- opvliegen
- opvoeden
- opvoeren
- opvolgen
- opvragen
- opwachten
- opwarmen
- opwekken
- opwinden
- opzeggen
- opzetten
- opzoeken
uit- (66)
- uitademen
- uitbarsten
- uitbesteden
- uitbreiden
- uitbreken
- uitbrengen
- uitbuiten
- uitdagen
- uitdelen
- uitdenken
- uitdoen
- uitdrukken
- uitgaan
- uitgeven
- uitglijden
- uithalen
- uitkeren
- uitkiezen
- uitkijken
- uitkomen
- uitlachen
- uitlaten
- uitleggen
- uitlenen
- uitlezen
- uitlichten
- uitlopen
- uitloven
- uitmaken
- uitnodigen
- uitoefenen
- uitpakken
- uitprinten
- uitproberen
- uitputten
- uitrekken
- uitroepen
- uitrusten
- uitschakelen
- uitschrijven
- uitschudden
- uitslapen
- uitsluiten
- uitspreken
- uitstaan
- uitstappen
- uitsteken
- uitstellen
- uitstoten
- uitstralen
- uitstrekken
- uittrekken
- uitvallen
- uitverkopen
- uitvinden
- uitvoeren
- uitvogelen
- uitwerken
- uitwijken
- uitwisselen
- uitwissen
- uitzenden
- uitzetten
- uitzien
- uitzitten
- uitzoeken
aan- (51)
- aanbellen
- aanbevelen
- aanbieden
- aanbreken
- aandoen
- aangaan
- aangeven
- aanhebben
- aanhoren
- aanhouden
- aankijken
- aanklagen
- aankleden
- aankloppen
- aankomen
- aankondigen
- aankopen
- aankunnen
- aanleggen
- aanlopen
- aanmaken
- aanmelden
- aanmeren
- aanmoedigen
- aannemen
- aanpakken
- aanpassen
- aanraden
- aanraken
- aanrennen
- aanrichten
- aanrijden
- aanschuiven
- aanslaan
- aansluiten
- aanspannen
- aanspreken
- aanstaan
- aansteken
- aanstellen
- aantonen
- aantreffen
- aantrekken
- aanvallen
- aanvoelen
- aanvragen
- aanvullen
- aanwakkeren
- aanwijzen
- aanzetten
- aanzien
in- (46)
- inademen
- inbreken
- inchecken
- indelen
- indienen
- indrukken
- induiken
- ingaan
- ingrijpen
- inhalen
- inhouden
- inhuren
- inkijken
- inlaten
- inleven
- inleveren
- inloggen
- inlopen
- innemen
- inpakken
- inplannen
- inrichten
- inrijden
- inschakelen
- inschenken
- inschrijven
- inslaan
- inspelen
- inspringen
- instappen
- instellen
- instemmen
- instorten
- intrappen
- intrekken
- intypen
- invallen
- invoeren
- invullen
- inwerken
- inwikkelen
- inzamelen
- inzetten
- inzien
- inzitten
- inzoomen
af- (40)
- afblazen
- afbreken
- afdoen
- afdwalen
- afdwingen
- afgaan
- afgelasten
- afgeven
- afglijden
- afhaken
- afhalen
- afhangen
- afkoelen
- afkomen
- afleggen
- afleiden
- aflopen
- afmaken
- afnemen
- afpakken
- afrekenen
- afronden
- afschaffen
- afsluiten
- afsnijden
- afspelen
- afspreken
- afstappen
- aftreden
- aftrekken
- afvallen
- afvinken
- afvragen
- afwachten
- afwassen
- afwerken
- afwijzen
- afzeggen
- afzetten
- afzien
weg- (21)
door- (19)
mee- (19)
over- (18)
terug- (17)
toe- (11)
voor- (11)
binnen- (8)
dicht- (3)
goed- (3)
klaar- (3)
langs- (3)
los- (3)
rond- (3)
tegen- (3)
thuis- (3)
dood- (2)
kapot- (2)
leeg- (2)
schoon- (2)
verder- (2)
voort- (2)
vooruit- (2)
adem- (1)
auto- (1)
bekend- (1)
bezig- (1)
bloot- (1)
buiten- (1)
deel- (1)
eruit- (1)
feest- (1)
flauw- (1)
gerust- (1)
hard- (1)
huis- (1)
kaart- (1)
kennis- (1)
klok- (1)
koffie- (1)
kwijt- (1)
lastig- (1)
les- (1)
lief- (1)
nat- (1)
omhoog- (1)
onder- (1)
plaats- (1)
recht- (1)
ruzie- (1)
tegemoet- (1)
teleur- (1)
terecht- (1)
vol- (1)
weer- (1)
wit- (1)
Vragen over werkwoorden
Wat is een scheidbaar werkwoord?
Een werkwoord met een voorvoegsel dat in een hoofdzin naar het einde gaat: opbellen wordt ik bel je op. In een bijzin blijven de delen bij elkaar (dat ik je opbel), en in het voltooid deelwoord staat ge in het midden: opgebeld.
Hoe weet ik of een werkwoord scheidbaar is?
Kijk naar het voorvoegsel. Aan-, af-, op-, uit-, mee- en vergelijkbare voorvoegsels gaan los. Be-, ge-, her-, ont-, ver- en er- nooit. Bij door-, over-, onder-, om- en voor- hangt het af van de klemtoon: klemtoon op het voorvoegsel is scheidbaar. Twijfel je? Gebruik de checker op deze pagina.
Waar staat het voorvoegsel bij een modaal werkwoord of bij te?
Bij een modaal werkwoord blijft het werkwoord heel, aan het einde: ik wil je opbellen. Te staat tussen de twee delen: om je op te bellen.
Waarom is voorkomen soms scheidbaar en soms niet?
Omdat het twee verschillende werkwoorden zijn. Vóórkomen, met de klemtoon op voor, betekent gebeuren en is scheidbaar: het komt vaak voor. Voorkómen, met de klemtoon op kómen, betekent verhinderen en is niet scheidbaar: dat voorkomt problemen.
Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZOefen elke dag in de Werkwoorden-app
Wil je niet meer alles opzoeken?
De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.