Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau B2 · Regelmatig

Vervoeging van Smokkelen

smokkelen = to smuggle, cut corners

Hele werkwoord
smokkelen
Verleden tijd
smokkelde · smokkelden
Voltooide tijd
heeft gesmokkeld

Kort antwoord

Smokkelen is in het Engels to smuggle, cut corners. Verleden tijd: smokkelde (enkelvoud) en smokkelden (meervoud). Voltooid deelwoord: gesmokkeld, met hebben: ik heb gesmokkeld.

Oefen smokkelen

Tegenwoordige tijd

iksmokkel
jijsmokkelt
hij/zij/hetsmokkelt
wijsmokkelen
julliesmokkelen
zijsmokkelen

Verleden tijd

iksmokkelde
jijsmokkelde
hij/zij/hetsmokkelde
wijsmokkelden
julliesmokkelden
zijsmokkelden

Voltooide tijd

ikheb gesmokkeld
jijhebt gesmokkeld
hij/zij/hetheeft gesmokkeld
wijhebben gesmokkeld
julliehebben gesmokkeld
zijhebben gesmokkeld

Voltooid verleden tijd

ikhad gesmokkeld
jijhad gesmokkeld
hij/zij/hethad gesmokkeld
wijhadden gesmokkeld
julliehadden gesmokkeld
zijhadden gesmokkeld

Toekomende tijd

ikzal smokkelen
jijzult smokkelen
hij/zij/hetzal smokkelen
wijzullen smokkelen
julliezullen smokkelen
zijzullen smokkelen

Voorwaardelijke wijs

ikzou smokkelen
jijzou smokkelen
hij/zij/hetzou smokkelen
wijzouden smokkelen
julliezouden smokkelen
zijzouden smokkelen

Oefen smokkelen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

smokkelen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Die man sigaretten over de grens.

  2. Verleden tijd

    De leerlingen tijdens het examen met een spiekbriefje.

  3. Bijzin

    De douane controleert alle tassen omdat mensen vaak .

  4. Tegenwoordige tijd

    Ik nooit met mijn belastingaangifte.

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is smokkel. In smokkelen staat l voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (smokkelde, smokkelden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (gesmokkeld).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij smokkelt, maar smokkel jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van smokkelen?

smokkelde (ik, jij, hij/zij/het) en smokkelden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van smokkelen?

gesmokkeld, met hebben: ik heb gesmokkeld.

Gebruik je smokkelen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gesmokkeld, hij heeft gesmokkeld.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.