Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A1 · Onregelmatig

Vervoeging van Wassen

wassen = to wash

Hele werkwoord
wassen
Verleden tijd
waste · wasten
Voltooide tijd
heeft gewassen

Kort antwoord

Wassen is in het Engels to wash. Verleden tijd: waste (enkelvoud) en wasten (meervoud). Voltooid deelwoord: gewassen, met hebben: ik heb gewassen.

Oefen wassen

Tegenwoordige tijd

ikwas
jijwast
hij/zij/hetwast
wijwassen
julliewassen
zijwassen

Verleden tijd

ikwaste
jijwaste
hij/zij/hetwaste
wijwasten
julliewasten
zijwasten

Voltooide tijd

ikheb gewassen
jijhebt gewassen
hij/zij/hetheeft gewassen
wijhebben gewassen
julliehebben gewassen
zijhebben gewassen

Voltooid verleden tijd

ikhad gewassen
jijhad gewassen
hij/zij/hethad gewassen
wijhadden gewassen
julliehadden gewassen
zijhadden gewassen

Toekomende tijd

ikzal wassen
jijzult wassen
hij/zij/hetzal wassen
wijzullen wassen
julliezullen wassen
zijzullen wassen

Voorwaardelijke wijs

ikzou wassen
jijzou wassen
hij/zij/hetzou wassen
wijzouden wassen
julliezouden wassen
zijzouden wassen

Oefen wassen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

Zo werkt dit werkwoord

  • Onregelmatig werkwoord: de verleden tijd en het voltooid deelwoord volgen het gewone -te/-de-patroon niet, dus leer de drie vormen samen: wassen, waste, gewassen.
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij wast, maar was jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van wassen?

waste (ik, jij, hij/zij/het) en wasten (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van wassen?

gewassen, met hebben: ik heb gewassen.

Gebruik je wassen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gewassen, hij heeft gewassen.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.