Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Irregular

Blijken conjugation

blijken = to appear, turn out

Infinitive
blijken
Past
bleek · bleken
Perfect
is gebleken

Quick answer

Blijken means to appear, turn out. Past tense: bleek (singular) and bleken (plural). Past participle: gebleken, with zijn: ik ben gebleken.

Practise blijken

Present (tegenwoordige tijd)

ikblijk
jijblijkt
hij/zij/hetblijkt
wijblijken
jullieblijken
zijblijken

Past (verleden tijd)

ikbleek
jijbleek
hij/zij/hetbleek
wijbleken
julliebleken
zijbleken

Perfect (voltooide tijd)

ikben gebleken
jijbent gebleken
hij/zij/hetis gebleken
wijzijn gebleken
julliezijn gebleken
zijzijn gebleken

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikwas gebleken
jijwas gebleken
hij/zij/hetwas gebleken
wijwaren gebleken
julliewaren gebleken
zijwaren gebleken

Future (toekomende tijd)

ikzal blijken
jijzult blijken
hij/zij/hetzal blijken
wijzullen blijken
julliezullen blijken
zijzullen blijken

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou blijken
jijzou blijken
hij/zij/hetzou blijken
wijzouden blijken
julliezouden blijken
zijzouden blijken

Practise blijken

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: blijken, bleek, gebleken.
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij blijkt, but blijk jij?
  • Perfect tense with zijn: ik ben gebleken, not ik heb gebleken.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of blijken?

bleek (ik, jij, hij/zij/het) and bleken (wij, jullie, zij).

What is the past participle of blijken?

gebleken, with zijn: ik ben gebleken.

Is blijken used with hebben or zijn?

With zijn: ik ben gebleken, hij is gebleken.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.