Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Boeren

boeren = cultivar, rendir

Infinitivo
boeren
Pasado
boerde · boerden
Perfecto
heeft geboerd

Respuesta rápida

Boeren significa cultivar, rendir. Pasado: boerde (singular) y boerden (plural). Participio: geboerd, con hebben: ik heb geboerd.

Practica boeren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikboer
jijboert
hij/zij/hetboert
wijboeren
jullieboeren
zijboeren

Pasado (verleden tijd)

ikboerde
jijboerde
hij/zij/hetboerde
wijboerden
jullieboerden
zijboerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geboerd
jijhebt geboerd
hij/zij/hetheeft geboerd
wijhebben geboerd
julliehebben geboerd
zijhebben geboerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geboerd
jijhad geboerd
hij/zij/hethad geboerd
wijhadden geboerd
julliehadden geboerd
zijhadden geboerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal boeren
jijzult boeren
hij/zij/hetzal boeren
wijzullen boeren
julliezullen boeren
zijzullen boeren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou boeren
jijzou boeren
hij/zij/hetzou boeren
wijzouden boeren
julliezouden boeren
zijzouden boeren

Practica boeren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

boeren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Mijn oom al dertig jaar in Friesland.

  2. Pasado

    Vroeger mijn opa op een groot land.

  3. Pretérito perfecto

    Zij haar hele leven .

  4. Oración subordinada

    Het is zwaar werk als je in de winter .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es boer. En el infinitivo boeren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (boerde, boerden) y el participio termina en -d (geboerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij boert, pero boer jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de boeren?

boerde (ik, jij, hij/zij/het) y boerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de boeren?

geboerd, con hebben: ik heb geboerd.

¿El verbo boeren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geboerd, hij heeft geboerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.