Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Domineren

domineren = dominar

Infinitivo
domineren
Pasado
domineerde · domineerden
Perfecto
heeft gedomineerd

Respuesta rápida

Domineren significa dominar. Pasado: domineerde (singular) y domineerden (plural). Participio: gedomineerd, con hebben: ik heb gedomineerd.

Practica domineren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikdomineer
jijdomineert
hij/zij/hetdomineert
wijdomineren
julliedomineren
zijdomineren

Pasado (verleden tijd)

ikdomineerde
jijdomineerde
hij/zij/hetdomineerde
wijdomineerden
julliedomineerden
zijdomineerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gedomineerd
jijhebt gedomineerd
hij/zij/hetheeft gedomineerd
wijhebben gedomineerd
julliehebben gedomineerd
zijhebben gedomineerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gedomineerd
jijhad gedomineerd
hij/zij/hethad gedomineerd
wijhadden gedomineerd
julliehadden gedomineerd
zijhadden gedomineerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal domineren
jijzult domineren
hij/zij/hetzal domineren
wijzullen domineren
julliezullen domineren
zijzullen domineren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou domineren
jijzou domineren
hij/zij/hetzou domineren
wijzouden domineren
julliezouden domineren
zijzouden domineren

Practica domineren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

domineren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Die grote jongen elke discussie in de klas.

  2. Pasado

    Het Nederlandse team de hele wedstrijd.

  3. Pretérito perfecto

    Mijn broer het gesprek aan tafel weer .

  4. Oración subordinada

    Ik vind het vervelend dat hij altijd het gesprek .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es domineer. En el infinitivo domineren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (domineerde, domineerden) y el participio termina en -d (gedomineerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij domineert, pero domineer jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de domineren?

domineerde (ik, jij, hij/zij/het) y domineerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de domineren?

gedomineerd, con hebben: ik heb gedomineerd.

¿El verbo domineren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gedomineerd, hij heeft gedomineerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.