Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Forceren

forceren = forzar

Infinitivo
forceren
Pasado
forceerde · forceerden
Perfecto
heeft geforceerd

Respuesta rápida

Forceren significa forzar. Pasado: forceerde (singular) y forceerden (plural). Participio: geforceerd, con hebben: ik heb geforceerd.

Practica forceren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikforceer
jijforceert
hij/zij/hetforceert
wijforceren
jullieforceren
zijforceren

Pasado (verleden tijd)

ikforceerde
jijforceerde
hij/zij/hetforceerde
wijforceerden
jullieforceerden
zijforceerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geforceerd
jijhebt geforceerd
hij/zij/hetheeft geforceerd
wijhebben geforceerd
julliehebben geforceerd
zijhebben geforceerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geforceerd
jijhad geforceerd
hij/zij/hethad geforceerd
wijhadden geforceerd
julliehadden geforceerd
zijhadden geforceerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal forceren
jijzult forceren
hij/zij/hetzal forceren
wijzullen forceren
julliezullen forceren
zijzullen forceren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou forceren
jijzou forceren
hij/zij/hetzou forceren
wijzouden forceren
julliezouden forceren
zijzouden forceren

Practica forceren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

forceren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Hij de deur met een schroevendraaier.

  2. Pasado

    De dieven het slot van de garage.

  3. Pretérito perfecto

    Jij het gesprek te veel .

  4. Oración subordinada

    Het lukt niet, als jullie de uitslag .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es forceer. En el infinitivo forceren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (forceerde, forceerden) y el participio termina en -d (geforceerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij forceert, pero forceer jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de forceren?

forceerde (ik, jij, hij/zij/het) y forceerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de forceren?

geforceerd, con hebben: ik heb geforceerd.

¿El verbo forceren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geforceerd, hij heeft geforceerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.