Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Markeren

markeren = marcar

Infinitivo
markeren
Pasado
markeerde · markeerden
Perfecto
heeft gemarkeerd

Respuesta rápida

Markeren significa marcar. Pasado: markeerde (singular) y markeerden (plural). Participio: gemarkeerd, con hebben: ik heb gemarkeerd.

Practica markeren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikmarkeer
jijmarkeert
hij/zij/hetmarkeert
wijmarkeren
julliemarkeren
zijmarkeren

Pasado (verleden tijd)

ikmarkeerde
jijmarkeerde
hij/zij/hetmarkeerde
wijmarkeerden
julliemarkeerden
zijmarkeerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gemarkeerd
jijhebt gemarkeerd
hij/zij/hetheeft gemarkeerd
wijhebben gemarkeerd
julliehebben gemarkeerd
zijhebben gemarkeerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gemarkeerd
jijhad gemarkeerd
hij/zij/hethad gemarkeerd
wijhadden gemarkeerd
julliehadden gemarkeerd
zijhadden gemarkeerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal markeren
jijzult markeren
hij/zij/hetzal markeren
wijzullen markeren
julliezullen markeren
zijzullen markeren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou markeren
jijzou markeren
hij/zij/hetzou markeren
wijzouden markeren
julliezouden markeren
zijzouden markeren

Practica markeren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

markeren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Jij de belangrijkste woorden in de tekst.

  2. Pasado

    De leraar de fouten met een rode pen.

  3. Pretérito perfecto

    Ik de datum op de kalender .

  4. Oración subordinada

    Zij wist de weg precies, omdat de wandelaars de route goed .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es markeer. En el infinitivo markeren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (markeerde, markeerden) y el participio termina en -d (gemarkeerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij markeert, pero markeer jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de markeren?

markeerde (ik, jij, hij/zij/het) y markeerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de markeren?

gemarkeerd, con hebben: ik heb gemarkeerd.

¿El verbo markeren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gemarkeerd, hij heeft gemarkeerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.