Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Naderen

naderen = acercarse

Infinitivo
naderen
Pasado
naderde · naderden
Perfecto
is genaderd

Respuesta rápida

Naderen significa acercarse. Pasado: naderde (singular) y naderden (plural). Participio: genaderd, con zijn: ik ben genaderd.

Practica naderen

Presente (tegenwoordige tijd)

iknader
jijnadert
hij/zij/hetnadert
wijnaderen
jullienaderen
zijnaderen

Pasado (verleden tijd)

iknaderde
jijnaderde
hij/zij/hetnaderde
wijnaderden
jullienaderden
zijnaderden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikben genaderd
jijbent genaderd
hij/zij/hetis genaderd
wijzijn genaderd
julliezijn genaderd
zijzijn genaderd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikwas genaderd
jijwas genaderd
hij/zij/hetwas genaderd
wijwaren genaderd
julliewaren genaderd
zijwaren genaderd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal naderen
jijzult naderen
hij/zij/hetzal naderen
wijzullen naderen
julliezullen naderen
zijzullen naderen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou naderen
jijzou naderen
hij/zij/hetzou naderen
wijzouden naderen
julliezouden naderen
zijzouden naderen

Practica naderen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

naderen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De trein het station en iedereen pakt zijn koffer.

  2. Pasado

    Het onweer langzaam onze stad.

  3. Pretérito perfecto

    De zomer snel en de dagen worden warmer.

  4. Oración subordinada

    Ik word zenuwachtig als het einde van de week .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es nader. En el infinitivo naderen hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (naderde, naderden) y el participio termina en -d (genaderd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij nadert, pero nader jij?
  • Perfecto con zijn: ik ben genaderd, no ik heb genaderd.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de naderen?

naderde (ik, jij, hij/zij/het) y naderden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de naderen?

genaderd, con zijn: ik ben genaderd.

¿El verbo naderen va con hebben o con zijn?

Con zijn: ik ben genaderd, hij is genaderd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.