Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Regeren

regeren = gobernar

Infinitivo
regeren
Pasado
regeerde · regeerden
Perfecto
heeft geregeerd

Respuesta rápida

Regeren significa gobernar. Pasado: regeerde (singular) y regeerden (plural). Participio: geregeerd, con hebben: ik heb geregeerd.

Practica regeren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikregeer
jijregeert
hij/zij/hetregeert
wijregeren
jullieregeren
zijregeren

Pasado (verleden tijd)

ikregeerde
jijregeerde
hij/zij/hetregeerde
wijregeerden
jullieregeerden
zijregeerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geregeerd
jijhebt geregeerd
hij/zij/hetheeft geregeerd
wijhebben geregeerd
julliehebben geregeerd
zijhebben geregeerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geregeerd
jijhad geregeerd
hij/zij/hethad geregeerd
wijhadden geregeerd
julliehadden geregeerd
zijhadden geregeerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal regeren
jijzult regeren
hij/zij/hetzal regeren
wijzullen regeren
julliezullen regeren
zijzullen regeren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou regeren
jijzou regeren
hij/zij/hetzou regeren
wijzouden regeren
julliezouden regeren
zijzouden regeren

Practica regeren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

regeren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De koning al jaren over dit kleine land.

  2. Pasado

    Vroeger een strenge koningin over het hele gebied.

  3. Pretérito perfecto

    Deze partij de stad twintig jaar lang .

  4. Oración subordinada

    Het volk was blij toen de nieuwe president eindelijk .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es regeer. En el infinitivo regeren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (regeerde, regeerden) y el participio termina en -d (geregeerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij regeert, pero regeer jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de regeren?

regeerde (ik, jij, hij/zij/het) y regeerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de regeren?

geregeerd, con hebben: ik heb geregeerd.

¿El verbo regeren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geregeerd, hij heeft geregeerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.