Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Irregular

Conjugación de Spannen

spannen = estirar, tensar

Infinitivo
spannen
Pasado
spande · spanden
Perfecto
heeft gespannen

Respuesta rápida

Spannen significa estirar, tensar. Pasado: spande (singular) y spanden (plural). Participio: gespannen, con hebben: ik heb gespannen.

Practica spannen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikspan
jijspant
hij/zij/hetspant
wijspannen
julliespannen
zijspannen

Pasado (verleden tijd)

ikspande
jijspande
hij/zij/hetspande
wijspanden
julliespanden
zijspanden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gespannen
jijhebt gespannen
hij/zij/hetheeft gespannen
wijhebben gespannen
julliehebben gespannen
zijhebben gespannen

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gespannen
jijhad gespannen
hij/zij/hethad gespannen
wijhadden gespannen
julliehadden gespannen
zijhadden gespannen

Futuro (toekomende tijd)

ikzal spannen
jijzult spannen
hij/zij/hetzal spannen
wijzullen spannen
julliezullen spannen
zijzullen spannen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou spannen
jijzou spannen
hij/zij/hetzou spannen
wijzouden spannen
julliezouden spannen
zijzouden spannen

Practica spannen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

spannen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Ik het touw tussen de twee bomen.

  2. Pasado

    De man een groot doek boven het podium.

  3. Pretérito perfecto

    Hij zijn spieren tijdens de training te veel .

  4. Oración subordinada

    Mijn rug doet pijn omdat ik mijn spieren de hele dag .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: spannen, spande, gespannen.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij spant, pero span jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de spannen?

spande (ik, jij, hij/zij/het) y spanden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de spannen?

gespannen, con hebben: ik heb gespannen.

¿El verbo spannen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gespannen, hij heeft gespannen.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.