Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Regular

Conjugación de Werken

werken = trabajar

Infinitivo
werken
Pasado
werkte · werkten
Perfecto
heeft gewerkt

Respuesta rápida

Werken significa trabajar. Pasado: werkte (singular) y werkten (plural). Participio: gewerkt, con hebben: ik heb gewerkt.

Practica werken

Presente (tegenwoordige tijd)

ikwerk
jijwerkt
hij/zij/hetwerkt
wijwerken
julliewerken
zijwerken

Pasado (verleden tijd)

ikwerkte
jijwerkte
hij/zij/hetwerkte
wijwerkten
julliewerkten
zijwerkten

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gewerkt
jijhebt gewerkt
hij/zij/hetheeft gewerkt
wijhebben gewerkt
julliehebben gewerkt
zijhebben gewerkt

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gewerkt
jijhad gewerkt
hij/zij/hethad gewerkt
wijhadden gewerkt
julliehadden gewerkt
zijhadden gewerkt

Futuro (toekomende tijd)

ikzal werken
jijzult werken
hij/zij/hetzal werken
wijzullen werken
julliezullen werken
zijzullen werken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou werken
jijzou werken
hij/zij/hetzou werken
wijzouden werken
julliezouden werken
zijzouden werken

Practica werken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es werk. En el infinitivo werken hay una k antes de -en, uno de los sonidos de 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -te (werkte, werkten) y el participio termina en -t (gewerkt).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij werkt, pero werk jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de werken?

werkte (ik, jij, hij/zij/het) y werkten (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de werken?

gewerkt, con hebben: ik heb gewerkt.

¿El verbo werken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gewerkt, hij heeft gewerkt.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.