Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Wikkelen

wikkelen = envolver

Infinitivo
wikkelen
Pasado
wikkelde · wikkelden
Perfecto
heeft gewikkeld

Respuesta rápida

Wikkelen significa envolver. Pasado: wikkelde (singular) y wikkelden (plural). Participio: gewikkeld, con hebben: ik heb gewikkeld.

Practica wikkelen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikwikkel
jijwikkelt
hij/zij/hetwikkelt
wijwikkelen
julliewikkelen
zijwikkelen

Pasado (verleden tijd)

ikwikkelde
jijwikkelde
hij/zij/hetwikkelde
wijwikkelden
julliewikkelden
zijwikkelden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gewikkeld
jijhebt gewikkeld
hij/zij/hetheeft gewikkeld
wijhebben gewikkeld
julliehebben gewikkeld
zijhebben gewikkeld

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gewikkeld
jijhad gewikkeld
hij/zij/hethad gewikkeld
wijhadden gewikkeld
julliehadden gewikkeld
zijhadden gewikkeld

Futuro (toekomende tijd)

ikzal wikkelen
jijzult wikkelen
hij/zij/hetzal wikkelen
wijzullen wikkelen
julliezullen wikkelen
zijzullen wikkelen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou wikkelen
jijzou wikkelen
hij/zij/hetzou wikkelen
wijzouden wikkelen
julliezouden wikkelen
zijzouden wikkelen

Practica wikkelen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

wikkelen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Ik het cadeau in mooi papier.

  2. Pasado

    Gisteren zij de baby in een warme deken.

  3. Pretérito perfecto

    Jullie de kaas netjes in folie .

  4. Oración subordinada

    Hij pakt een doek omdat hij de fles voorzichtig wil .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es wikkel. En el infinitivo wikkelen hay una l antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (wikkelde, wikkelden) y el participio termina en -d (gewikkeld).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij wikkelt, pero wikkel jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de wikkelen?

wikkelde (ik, jij, hij/zij/het) y wikkelden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de wikkelen?

gewikkeld, con hebben: ik heb gewikkeld.

¿El verbo wikkelen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gewikkeld, hij heeft gewikkeld.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.